terug

Directe actie en democratie

Henk bij de Weg

Actievoeren is vandaag de dag een geaccepteerd politiek drukmiddel geworden. Het wordt op allerlei niveaus ingezet, van lokaal tot nationaal en tot zelfs wereldniveau. Niet alleen actievoerders hebben zich echter in actievoeren verdiept. Als effectief strijdmiddel heeft het ook de aandacht getrokken van politicologen en politieke theoretici. Politieke wetenschapper en vredesonderzoekster April Carter heeft een boek geschreven, waarin ze de uitkomsten van hun onderzoek op een rij heeft gezet gezet en dat ze de titel Direct action and democracy today heeft meegegeven.

Als leidthema voor haar boek heeft Carter de relatie tussen democratie en actievoeren gekozen, ofwel, zoals dit in Angelsaksische landen meestal genoemd wordt "directe actie". Actievoeren in democratische landen is echter geen vanzelfsprekendheid. In democratieŽn kiezen immers de burgers op diverse niveaus hun vertegenwoordigers, die geacht worden hun belangen te verdedigen. Carter laat zien dat er in een democratie wel degelijk plaats is voor directe actie, buiten de vertegenwoordigende instellingen als parlement, gemeenteraad enz. om. Ze doet dit door actievoeren op twee manieren te benaderen: vanuit de maatschappij en vanuit het denken over de maatschappij.

In een inleidend hoofdstuk omschrijft Carter directe actie als een geweldloos middel om druk uit te oefenen op de overheid en andere invloedrijke instellingen, zoals grote ondernemingen. Daarna verdeelt ze haar boek overeenkomstig de twee benaderingen in twee delen. Wat beide benaderingen verbindt, is niet alleen het thema directe actie maar ook de wijze waarop tegen de maatschappij wordt aangekeken: het (democratisch) liberalisme. Of Carter deze visie deelt, wordt me uit het boek niet duidelijk, maar terecht zegt ze: "Het liberalisme is de heersende filosofische, politieke en economische ideologie van het westen. Politieke discussies maken daarom nog steeds gebruik van de erfenis van het liberale denken" (p. 157). Zeker na de val van de Berlijnse Muur is de liberale visie op de samenleving sterker dan tevoren en ook als men de westerse samenleving wil bekritiseren, is het daarom een goed uitgangspunt voor het begrijpen en analyseren van sociale verschijnselen. Overigens geeft Carter ook aandacht aan socialistische en andere maatschappijbenaderingen.

In het eerste deel van haar boek richt Carter zich op drie themaís. Ten eerste stelt ze de vraag aan de orde of de liberale democratie wel zo geweldloos is als deze pretendeert te zijn. Aan de beantwoording van deze vraag zitten nogal wat haken en ogen, want het onderscheid tussen geweld en geweldloosheid is niet probleemloos af te palen. Bovendien, hoe gewelddadig is structurele machtsuitoefening? Carter concludeert dat de pretentie dat de liberale democratische staat geweldloos is te simplistisch is. Deze pretentie biedt echter wel een aanknopingspunt voor het voeren van directe actie, wanneer de vertegenwoordigende systemen tekortschieten, juist omdat directe actie in essentie wel geweldloos is en in lijn is met de humanistische liberale waarden.

Het tekortschieten van vertegenwoordigende systemen, het zogeheten "democratische tekort", is overigens wel een algemeen erkend probleem. Het vormt het tweede thema in deel I van het boek. Als mogelijke oplossing ervoor wordt veelal de versterking van de burgerlijke samenleving gezien . Een goed ontwikkelde burgerlijke samenleving kan de noodzaak van directe actie verminderen. Anderzijds kan een sterk netwerk van groepen ook de basis vormen voor directe actie. Ontwikkelt een burgerlijke samenleving zich onvoldoende, dan vormen zich vaak sociale bewegingen. De typische (hoewel niet enige) uitingsvorm hiervan is directe actie. Sociale bewegingen blijven echter niet tot de natiestaat beperkt. Vooral de laatste jaren is er een sterke beweging tegen de economische globalisering ontstaan. De plaats van directe actie hierin vormt het derde thema in het eerste deel van Carters boek.

Hoewel directe actie soms een bedreiging voor de vertegenwoordigende democratie kan vormen, stimuleert deze ook de opvattingen over andere vormen van democratie. In het tweede deel haar boek gaat Carter dan in op de weerslag van directe actie op het theoretische denken over democratie. Ook hier stelt ze weer drie themaís aan de orde. Het eerste is de relatie tussen de liberale democratietheorie, directe actie en globalisering. Carter concludeert dat slechts die theorieŽn steun geven aan het recht op directe actie, die uitgaan van een sterk begrip van burgerschap en van de verplichtingen van de burgers tegenover de wet, dus die theorieŽn die voldoende laten uitkomen dat de burgers verantwoordelijkheid dragen tegenover hun samenleving.

Het tweede thema in deel II is de relatie tussen participatiedemocratie en directe actie. Sommige critici van liberalismetheorieŽn willen dat de burger rechtstreeks bij het democratisch functioneren betrokken is. Deze critici leggen ook de nadruk op de pluraliteit van de samenleving. Hierbij ontstaat dan haast vanzelf ruimte voor protest, burgerlijke ongehoorzaamheid, directe actie en sociale bewegingen.

Het derde thema in deel II van het boek is een beschouwing van niet-liberale maatschappijopvattingen, met name van het socialisme. Socialisme is, aldus Carter, sterk in het analyseren van de liberale maatschappij en de oorzaken van het verzet ertegen, maar het heeft er moeite mee grip te krijgen op de maatschappelijke diversiteit en de sociale en culturele waarden achter het verzet, vooral in niet-westerse samenlevingen. Veel actievoerders en commentatoren van de liberale maatschappij vestigen echter hun hoop op de verandering en versterking van internationale organen om het zakenleven in toom te houden. Daarom tracht Carter socialisme te verbinden met kosmopolitieke theorieŽn. Op wereldniveau is de rol van directe actie echter anders dan op lokaal niveau. In het laatste geval wordt via acties direct de lokale gemeenschap verdedigd. Op wereldniveau is het echter niet alleen de taak van directe actie aandacht te vragen voor specifieke kwesties maar vooral ook voor zaken van breed belang en daarbij te trachten het beleid van zowel nationale overheden als internationale organisaties te beÔnvloeden.

In het laatste hoofdstuk brengt Carter de uitgezette lijnen weer bij elkaar. Centraal argument in het boek is geweest dat directe actie een antwoord is op het democratische tekort. Vraag is echter of dit democratische tekort wel aangepakt kan worden door alleen maar betere vertegenwoordigende systemen. Volgens Carter is dit slechts beperkt mogelijk en zullen er altijd redenen voor directe actie blijven. Anderzijds kan directe actie echter ook gezien worden als een eigen democratische vorm van machtsuitoefening en van politieke participatie. Zo bezien is het een nieuwe vorm van democratische organisatie en democratisch denken. Dit geldt des te sterker op wereldniveau, waar het democratisch tekort veel groter is dan op nationaal niveau en waar ongelijkheden in rijkdom en politieke invloed veel groter zijn.

Het boek van Carter biedt een grote rijkdom aan informatie en gedetailleerde analyse, waaraan in deze bespreking bij lange na geen recht kan worden gedaan. Zo wordt bijvoorbeeld ook veel aandacht besteed aan burgerlijke ongehoorzaamheid. Voor degenen die zich verder theoretisch in directe actie willen verdiepen is dit boek beslist een aanbeveling, vooral ook omdat het veel literatuurbesprekingen bevat en daardoor een aanzet kan geven tot verdere studie.

April Carter, Direct action and democracy today, Polity Press, Cambridge, 2005xii + 298 blz.

terug