terug (Nederlands)

back (English)

 

Bleiker, Helvey en Schell en de macht van het volk. Een literatuurbeschouwing

Henk bij de Weg

Summary in English

In this article I discuss books by Bleiker, Helvey and Schell (see the "Aangehaalde literatuur" at the end of the article). It can be summarised in two theses: 1) Successful non-violent resistance is neither only "underground" (in the sense that people try to live their private lives as they want to live it, ignoring as much as possible the repression by the state) nor only "La Boétiean" (in the sense that people resist the repression openly, for example by means of demonstrations). Both ways to oppose a repressive regime supply each other and need each other. 2) There are two kinds of power: coercive power and co-operative power. Non-violent resistance implies a clash between both kinds of power. It is the task of a theory of non-violent resistance to elaborate and explain what happens here and to relate it to the levels of resistance.

-.-.-.-.-.-.-.-.-

Inleiding

De afgelopen 25 jaar hebben overal op de wereld geweldloze bewegingen en opstanden plaatsgevonden. Ze zijn weliswaar geen nieuw verschijnsel, maar vooral in deze periode hebben ze een betekenis gekregen die boven het lokale niveau uitgaat en deze betekenis is vaak niet alleen regionaal maar ook mondiaal. De opstand tegen Marcos op de Filippijnen in 1986, de val van de Berlijnse Muur in 1989, de volksopstanden in Servië (2000), Georgië (2003) en de Oekraïne (2004), het zijn evenzovele voorbeelden van geweldloos verzet van een meer dan plaatselijke uitwerking. Dit verzet geeft echter de indruk van beperkte en kortstondige, heftige botsingen tussen een president of een heersende elite en de burgers, waarbij de laatsten de eersten niet langer legitiem achten hun macht uit te oefenen. In media en door politieke wetenschappers wordt geweldloos verzet vaak zo geanalyseerd. Om dit beeld te corrigeren heeft de Zwitserse politicoloog Roland Bleiker een boek geschreven waarin hij deze, wat hij noemt, "Laboétiaanse" visie bekritiseert en met een alternatieve benadering komt: Popular dissent, Human Agency and Global Politics1. Omdat het verschijnsel van protest tegen de machthebber(s) veel ruimer is, noemt hij zijn benadering "transversaal", waarmee hij wil aangeven dat het hier gaat om een "political practice that not only transgresses national boundaries, but also questions the spatial logic through which these boundaries have come to constitute and frame the conduct of international relations" (id., p. 2).

Maar in hoeverre behoeft dit beeld werkelijk correctie? Deze vraag is voor mij aanleiding een drietal recent verschenen boeken op het gebied van geweldloze volksbewegingen te bespreken. Ik begin met het boek van Bleiker. Vervolgens geef ik aandacht aan een boek van Helvey, die een uiteenzetting geeft van het strategische denken achter de juist door Bleiker zo verfoeide Laboétiaanse benadering. Tot slot ga ik in op een boek van Schell, waarin hij analyseert hoe geweldloze volksbewegingen in de vorige eeuw konden opkomen en aan de orde stelt wat kenmerkend is voor het machtsdenken achter deze bewegingen.

Bleikers kritiek op de erfgenamen van La Boétie

Étienne de La Boétie (1530-1563) was een Frans edelman en rechter, die in zijn jonge jaren, nog voor hij zijn opleiding voltooid had, een "Verhandeling over de Vrijwillige Slavernij" geschreven heeft2. Dit werkje heeft zo’n grote invloed gehad dat we La Boétie wel de Machiavelli van het geweldloze denken en de geweldloze actie kunnen noemen. La Boétie geeft, aldus Bleiker3, een vernietigende kritiek op het machtsdenken van zijn tijd, onder meer gepersonifieerd in de repressief optredende Franse koning Henri II. Hij bood een machtstheorie die in zijn tijd radicaal en subversief was en als essentie had dat machtsuitoefening uiteindelijk op vrijwillige instemming van de ondergeschikten berust. Om de macht van de heerser te breken en zich eraan te onttrekken behoeft de ondergeschikte alleen maar te weigeren te gehoorzamen en zijn instemming met de machtsuitoefening in te trekken. Hiermee vat La Boétie, aldus Bleiker, macht, anders dan gebruikelijk in zijn tijd, niet op als "something stable and restraining, a privilege that some have and others do not. Power emerges from popular consent and it is relational, a constantly changing force field located in the interactive dynamics between ruler and ruled. ... [P]ower is enabling, it provides common people with the chance to create opportunities for social change"(Bleiker 2000, p. 61). Dat de ondergeschikten meestal niet in verzet komen, komt doordat de heerser over een scala van manipulatiemechanismen beschikt om hen de bestaande situatie te doen aanvaarden. Ze liggen in het vlak van "brood en spelen" en het scheppen van relaties van afhankelijkheid en dergelijke en zijn gewoonlijk effectief.4 La Boétie is radicaal, aldus Bleiker, omdat zijn "main interest is not in analysing domination as such, but in demonstrating, how it can be overcome ... [H]e reasserts his faith in agency, practises the art of persuasion, tries to incite people to overcome voluntary servitude" (id., p. 65).

De ideeën van La Boétie hebben tot op heden doorgewerkt. Ging het bij La Boétie echter nog om een theoretische argumentatie, zo gaat Bleiker verder, anderen hebben deze omgezet in praktisch handelen. In onze tijd hebben ze onder meer invloed gehad op Mahatma Gandhi, op de twee vooroorlogse Amerikaanse auteurs Clarence M. Case en Richard B. Gregg, die veel hebben bijgedragen aan de systematisering van Gandhi’s ideeën, op Martin Luther King tot aan Gene Sharp toe. Hoewel Bleiker sympathiek staat tegenover hun of door hen behandelde wijzen van verzet, hebben deze volgens hem één groot gebrek, dat het sterkst naar voren komt bij Gene Sharp, die door velen als de belangrijkste hedendaagse theoreticus op het gebied van geweldloze actie wordt gezien. In een eenzijdige nadruk, in lijn met de voorgaande interpreten, aldus Bleiker, op het aspect van gehoorzaamheid en onderwerping, op de afhankelijkheid van de heersers van de onderworpenen en met een sterk vertrouwen in autonomie en individuele handelingsmogelijkheden tracht Sharp in deze laatste orde te scheppen en ze op een algemeen geldige, tijdsonafhankelijke manier te structureren. Ondanks de eenzijdige interpretatie van Sharp, ziet Bleiker hier de geest van La Boétie’s humanisme en spreekt hij van een Laboétiaanse benadering waarin (en Bleiker wijst hier naar Sharp, maar bedoelt het kennelijk algemeen voor benaderingen die op La Boétie teruggaan) de "theory of non-violent direct action epistomises the modern desire for control, the compulsion to sytematise and categorise the world, such that all its various features can be understood and held accountable to one generally accepted frame of reference" (id., p. 110). Bleiker vindt een dergelijke Laboétiaanse essentialistische benadering niet adequaat om het hedendaagse geweldloze volksverzet te begrijpen. Kern van zijn kritiek is dat deze benadering uitgaat van autonoom handelende individuen en een simplistische, in ruimtelijke termen en ahistorisch opgevatte tegenstelling tussen heersers en overheersten. De hedendaagse werkelijkheid van machtsrelaties zit volgens Bleiker echter anders in elkaar. Machtsrelaties zijn niet bipolair, maar de mensen zijn opgenomen in fijne, ver ontwikkelde sociale netwerken, die open staan voor vele invloeden, niet alleen lokaal maar vanuit een wijde regionale tot mondiale omgeving, waarbij de machtsrelaties zich ook in de tijd ontwikkelen. De Laboétiaanse benadering heeft geen oog voor de wisselwerking met de omgeving van het individu en de groepen waarin hij of zij is opgenomen en voor onderhuidse processen die ruimte bieden voor een wijze van verzet die neerkomt op het leiden van een eigen levenswijze tegen de bovenstaande onderdrukking en aanpassing in. Bleiker ziet verzet niet als grootse, vaak min of meer plotseling plaatsvindende acties maar eerder als wat Havel (die verrassende wijze niet door Bleiker genoemd wordt) "leven in waarheid" noemt.5 Bleiker onderbouwt zijn visie met een analyse van de gebeurtenissen in de voormalige DDR die hebben geleid tot de val van de Berlijnse Muur in 1989. Hij geeft hiervan eerst een Laboétiaanse lezing in termen van de grootse opvallende gebeurtenissen als massademonstraties en vluchtelingenstromen. De rest van zijn boek wijdt hij dan aan de deconstructie ervan en aan het geven van een alternatieve "transversale" lezing. Hierbij wordt gebruik gemaakt van diverse nogal abstracte theorieën die voor een geweldloze actievoerder met een Laboétiaanse benadering niet altijd voor de hand liggen.

Aan Gramsci ontleent Bleiker de idee dat een beweging alleen kan slagen, als deze voldoende steun heeft door de gehele bevolking heen, als de bevolking een beweging legitiem acht en de ideologie ervan accepteert. Dit geldt echter niet alleen voor de oppositie maar ook voor de heersenden. Men moet daarom niet alleen kijken naar de dominante politieke structuren maar ook naar de onderliggende burgerlijke samenleving en naar wat daar leeft. De dominante politieke structuren kunnen hun wil niet opleggen zonder ook de burgerlijke samenleving op een of andere manier te beheersen. Vandaar dat de machtshebbers in de DDR bijvoorbeeld trachtten de privé-sfeer binnen te dringen. Met name omdat de kerken in tact bleven, is het echter gelukt om alternatieven te ontwikkelen. Ook ondermijnde het DDR-regime zijn eigen macht door zijn beleid van repressie, wat leidde tot ontevredenheid.

Aan Foucault ontleent Bleiker de idee dat macht niet bipolair is maar multidimensioneel, complex, verweven en gestratificeerd. Macht maakt altijd deel uit van een netwerk, zodat verzet niet eenvoudig een zaak is van het aan de kant zetten van de heersers, omdat er tussen heersers en overheersten een sterke overlap is. Er zijn evenwel twee beelden van machtsverhoudingen, namelijk het officiële beeld en het verborgen beeld van hoe de verhoudingen werkelijk liggen en wat de feitelijke belangen van de diverse groepen zijn. De zwakkeren, de overheersten, zien vaak wel degelijk hoe de verhoudingen werkelijk liggen maar weigeren om diverse redenen zich te verzetten.

In de zo geschetste theoretische ruimte vindt men volgens Bleiker wel de aanknopingspunten overheersing en verzet te begrijpen. Verzet vindt volgens hem niet plaats in grote opstanden maar in de alledaagsheid van het bestaan. Hiervoor grijpt hij terug op De Certeau, hoewel het naar mijn mening, gezien het thema van het boek, meer voor de hand gelegen had om terug te grijpen op Havels idee van "leven in waarheid". Zoals De Certeau laat zien, zijn mensen niet de passieve beschouwers van hun bestaan en onderdrukking, maar creëren ze hun bestaan zelf en hun eigen dagelijkse wijze van verzet. De Certeau spreekt van "netwerken van anti-discipline". Dit dagelijkse verzet is belangrijker dan de grote opstanden, die maar zelden voorkomen. Het kan op vele manieren tot uiting komen en een belangrijke uitingsvorm is de taal. Bleiker analyseert hier als voorbeeld het poëtische verzet van een groep dichters te Plenzlauer Berg.

Ik ga hier verder voorbij aan het belang van de internationale verbanden en invloeden voor het al dan niet slagen van geweldloos verzet, die vooral aan het transversale karakter ervan bijdragen. Waar het mij om gaat is dat Bleiker het onderhuidse verzet, het "leven in waarheid" van Havel, als belangrijker ziet dan het openlijke verzet van de massabijeenkomsten, stakingen en dergelijke. Mijns inziens schept Bleiker hier een tegenstelling waarvan men zich kan afvragen of het wel zo’n tegenstelling is als hij suggereert. Ik wil niet ontkennen dat het onderhuidse verzet in de DDR belangrijk is geweest. Bleiker heeft gelijk dat hij het belang ervan benadrukt en dat hij het analyseert. Maar naast het onderhuidse verzet is er ook sprake geweest van openlijk verzet in de periode voorafgaande aan de val van de Berlijnse Muur, zoals de steeds massaler wordende maandagavondbijeenkomsten in Leipzig. Wat zou er gebeurd zijn als dit openlijke politieke verzet niet had plaatsgevonden? Als er geen openlijke volksopstand was geweest en de mensen niet met de voeten tegen de DDR gestemd hadden door naar het Westen te vluchten? Zou er dan niet mogelijkerwijze een tweede Duitse staat naast de Bondsrepubliek zijn blijven bestaan, zij het dan onder een democratische regering? Dit zou één van de opties geweest zijn.

Waar Bleiker ook aan voorbijgaat is dat het Laboétiaanse verzet niet in het luchtledige kan plaatsvinden: georganiseerd door een geweldloze elite en de demonstranten verschijnen op afroep. Zo simpel werkt het niet. Ook hier geldt wat Bleiker bij Gramsci aanhaalt, dat een beweging alleen kans van slagen heeft, als deze door brede lagen van de bevolking gesteund wordt. Aan een Laboétiaanse opstand gaat een ontevredenheid met het heersende regiem en veel onderhuidse organisatie onder de bevolking aan vooraf. Eerder zijn het Laboétiaanse verzet en het onderhuidse verzet twee aspecten, twee wijzen van hetzelfde verzet. Het Laboétiaanse verzet is de openlijk confrontatie met de dominante politieke structuren, het onderhuidse verzet is het verzet door het negeren van deze politieke structuren en het kiezen van een eigen levenswijze tegen de impliciet of expliciet door de dominante politieke structuur gewenste levenswijze en praktijk in, bijvoorbeeld door het ontwikkelen van alternatieve structuren, door de dingen te doen zoals men zelf wil en niet zoals voorgeschreven, kortom door te "leven in waarheid". Maar beide vormen van verzet staan niet los van elkaar maar hebben elkaar juist nodig. Het Laboétiaanse verzet heeft een voedingsbodem in de samenleving nodig om uit te groeien tot een massabeweging. Het onderhuidse verzet heeft het bovengrondse verzet van de Laboétiaanse actie nodig om de politiek dominante structuren te breken, zodat de ondergrondse burgerlijke samenleving en wijze van leven ook een bovengrondse kan worden. Wat bijvoorbeeld de door Bleiker als representant van het Laboétiaanse verzet bekritiseerde Sharp dan aangeeft is hoe je dit verzet organiseert. Dat dit verzet vaak verder gaat dan alleen het Laboétiaans organiseren van verzet, maar dat dit verzet ook verbonden is met de levenswijze van de onderdrukten, valt af te lezen uit diverse door Sharp behandelde cases in zijn 20056 of in het daar niet behandelde voorbeeld van het Nederlandse artsenverzet tijdens de Tweede Wereldoorlog.7 Daarbij heeft het Laboétiaanse verzet en het geslaagde ten val brengen van machtsusurpators zoals de afgelopen jaren in Servië, Georgië en de Oekraïne wel degelijk transversale dimensies. Toegegeven, deze voorbeelden vonden geheel of gedeeltelijk plaats na het voltooien van Bleikers boek, maar ik denk dat een bestudering van oudere gevallen Bleiker tot dezelfde conclusie had moeten brengen. De geweldloze volksopstanden in Servië bijvoorbeeld (maar uiteraard ook de andere) speelden zich in een internationaal kader af en hoewel de Servische verzetsbeweging weinig steun van de "grote politiek" kreeg (ondanks de internationaal gedeelde afkeer van president Miloë eviº ), was het verzet beslist geen nationaal geïsoleerde aangelegenheid. De door de studenten geleide oppositiebeweging Otpor verwerkte Sharps The politics of nonviolent action samen met zijn ten behoeve van het Birmese verzet geschreven From dictatorship to democracy8 tot een "Otpor gebruikershandboek". Robert Helvey, ex-voorzitter van het door Sharp opgerichte Albert Einstein Institution, gaf in Boedapest aan leden van Otpor werkgroepen om hun verzet voor te bereiden. De kennis en ervaring van Otpor is later doorgegeven aan de verzetsbewegingen in Georgië en de Oekraïne.

Ik wil met deze opmerkingen over het Servische verzet volstaan. Het lijkt me echter duidelijk dat de machtsanalyse zoals Sharp deze theoretisch heeft opgesteld en in de praktijk heeft toegepast verdergaat dan de simpele idee dat er een machtshebber is en dat er ondergeschikten zijn en dat deze laatste op een eenvoudige wijze de gehoorzaamheid aan de machthebber kan intrekken. Dit is slechts het basisidee. Sharp geeft er een uitwerking van die wel degelijk berust op het opbouwen van netwerken van relaties en inzicht in de manier hoe het bestaande netwerk van machtsrelaties functioneert om dan vervolgens op basis van het eigen door het verzet ontwikkelde netwerk en de verkregen inzichten het bestaande machtsnetwerk te ondermijnen, zodat de dictator noodzakelijkerwijze van zijn sokkel valt, omdat het voetstuk verbrokkeld is.9

Deze kritiek op Bleiker is niet bedoeld om te zeggen dat het "eigenlijke" geweldloze volksverzet in laatste instantie toch Laboétiaans is. Integendeel, ik denk dat Bleiker in zijn boek een analyse en theoretische onderbouwing geeft van een belangrijke vorm van geweldloos verzet, van Havels "leven in waarheid". Ik denk echter ook dat men het "leven in waarheid" niet tegenover het Laboétiaanse verzet moet stellen, maar dat het beide manieren zijn om de macht van een onderdrukkende machthebber te ondermijnen en dat beide manieren van verzet ieder hun eigen tijd en plaats hebben om toe te passen, als het kan tegelijkertijd en even sterk, of anders met het primaat van de een over de ander.

Helvey: Strategisch geweldloos denken

Hoe het "Laboétiaanse" verzet te organiseren (ik blijf de term "Laboétiaans" van Bleiker verder gebruiken) heeft Sharp onlangs nog eens in zijn Waging Nonviolent Struggle10 uiteengezet. Dit boek geeft een overzicht van zowel belangrijke gevalsstudies van geweldloos verzet als van de organisatorische aspecten van dit verzet. Veel erin gaat terug op wat Sharp eerder gepubliceerd heeft, met name in zijn hier al genoemde 1973 en 2003. Ik heb al eerder aandacht aan dit boek besteed en ga er verder aan voorbij.11 Ook Sharps medewerker, de hierboven al genoemde Robert L. Helvey, heeft recentelijk echter een boek gepubliceerd waarin hij op de organisatorische aspecten van geweldloos verzet ingaat: On strategic nonviolent conflict. Thinking about the fundamentals.12 Helvey is een voormalig kolonel van het Amerikaanse leger, hij is zoals gezegd voorzitter geweest van het Albert Einstein Institution en hij is als adviseur opgetreden van talloze non-gouvernementele organisaties die geweldloze hervormingen nastreven en van geweldloze verzetsbewegingen in diverse landen, zoals Birma, Servië en Zimbabwe. Zijn boek over strategisch geweldloos conflict heeft een heel ander karakter dan dat van Bleiker over geweldloze volksbewegingen. Het boek van Bleiker is een theoretisch wetenschappelijke verhandeling bedoeld voor een academisch publiek. Het boek van Helvey biedt een denkkader voor mensen die actief zijn in geweldloze bewegingen. Zoals Helvey het zelf zegt: "... it offers a framework that encourages orderly thinking about the fundamentals of strategic nonviolent opposition to state tyranny" (2002, p. xi). Het is echter geen " ‘how to’ book" (ibid.). Hiervoor kan men beter terecht bij Sharps 1973 en 2003. Helvey wil met zijn boek daarentegen het strategisch denken onder geweldloze actievoerders stimuleren en scholen. Vooral wat dit laatste betreft is het een goede aanvulling op en uitbreiding van Sharps werk. Ackerman & Kruegler (1994, pp. xix-xx) wijzen erop dat het verwonderlijk is dat zoveel geweldloze bewegingen nog slagen, terwijl er over het algemeen zo weinig aandacht aan strategie besteed wordt. Ze ontwikkelen in hun 1994 daarom twaalf principes van strategisch geweldloos conflict. Voor hen zijn deze principes echter vooral handvaten om gevalsstudies te analyseren en daarmee is ook hun benadering nog theoretisch. Helvey is evenals Ackerman en Kruegler van mening dat geweldloze strijd strategisch gevoerd moet worden, maar als praktijkadviseur kijkt hij vanuit het standpunt van de actievoerder. Vandaar dat het hem erom gaat organisatorische hulpmiddelen aan te reiken.

Helvey verstaat onder strategische geweldloze strijd "nonviolent struggle that has been applied according to a strategic plan that has been prepared on the basis of an analysis of the conflict situation, the strengths and weaknesses of the contending groups, the nature, capacities and requirements of the technique of nonviolent action, and especially the strategic principles of that type of struggle" (2002, p. x), een definitie die hij overigens heeft ontleend aan Sharp. Rond deze definitie heeft hij zijn boek geschreven. Helvey doet het zelf niet, maar je kunt het boek in drie, of als je het aanhangsel meetelt, in vier delen verdelen: theoretische uitgangspunten, het ontwerpen van een strategie, enkele specifieke problemen en de appendices met termen en voorbeelden en schema’s en figuren waarin Sharps machtstheorie weergegeven wordt en die elders in het boek behandeld worden. Bij de theoretische uitgangspunten leunt Helvey zwaar op Sharp, omdat hij diens Laboétiaanse ideeën over macht, steunpilaren van een regime, gehoorzaamheid aan een regime en mechanismen en methoden van geweldloze strijd geheel overneemt. Ik denk dat dit terecht is. Men kan, zoals Bleiker, wel een theorie bieden hoe het onderhuidse verzet functioneert, maar heeft men vanuit dit theoretisch perspectief ook de handvaten om een onderdrukkend regiem aan te pakken? Mijns inziens is dat niet het geval. Men kan, zoals Bleiker, stellen dat mensen verweven zijn in een netwerk van relaties en dat daarmee ieder zijn deel heeft aan de macht èn aan de verantwoordelijkheid van de onderdrukking door het regime en in zekere zin is dat ook zo (en zegt La Boétie in feite niet hetzelfde als hij wijst op de piramidale opbouw van de macht?).13 Wat de machtstheorie van Sharp echter biedt is een andere opdeling van het netwerk dat laat zien wat de punten zijn om het onderdrukkende machtssysteem aan te pakken. Deze indeling van het relatienetwerk is bovendien nuttig om mensen duidelijk te maken wat hun plaats is in hun eigen onderdrukking. Zo bezien is Sharps Laboétiaanse theorie de activistische keerzijde van Bleikers netwerktheorie.

In het tweede deel van het boek geeft Helvey een inleiding in het strategische denken. Hier geeft hij aan hoe men een actieplanning maakt en wat een aantal belangrijke factoren zijn waar men op moet letten. Het geheel wordt geïllustreerd met voorbeelden die vooral aan het Birmaanse verzet ontleend zijn, waarvoor Helvey als adviseur is opgetreden en waarvoor hij werkgroepen heeft gegeven. In het derde deel van zijn boek gaat Helvey in op praktijkvragen waarmee iedere geweldloze verzetsbeweging te maken krijgt, zoals leiderschap en het overwinnen van angst. Daarna volgt nog een korte afronding van het boek gevolgd door het aanhangsel met, zoals gezegd, termen en voorbeelden en schema’s en figuren waarin Sharps machtstheorie weergegeven wordt. Voor degenen die in Sharps machtstheorie geïnteresseerd zijn, zijn deze uitermate interessante omdat ze deze zeer inzichtelijk en beeldend samenvatten. Hiermee heeft Helvey een nuttig praktijkboek geschreven dat gebaseerd is op zijn eigen jarenlange ervaringen als strategischeplanningsadviseur.

Schell en de macht van het volk

Geweldloos verzet is van alle tijden maar geweldloze volksopstanden zoals die door Bleiker van de theoretische kant en door Helvey van de praktische kant geanalyseerd worden, zijn een recent verschijnsel. Dat dit alles te maken heeft met de ontwikkeling van de oorlog in deze eeuw en de daaruit voortvloeiende politieke situatie is een les die men uit Jonathan Schells The unconquerable world. Power, nonviolence, and the will of the people kan trekken. Weliswaar zijn volgens Schell ook veel vroegere omwentelingen die als gewelddadig te boek staan in wezen geweldloos (een these waarop naar mijn mening nogal wat is af te dingen), maar juist het doodlopen van de conventionele oorlog in het potentiële geweld van de nucleaire oorlog heeft ruimte geschapen voor geweldloze volksbewegingen waarin op ethische of pragmatische gronden geweld zonder meer geen optie is. Het totale geweld dat met de Eerste Wereldoorlog had ingezet stuitte met de atoombom op zijn eigen grenzen en gaf daardoor ook mogelijkheden voor het kleinschalige volksverzet, dat overigens evenzeer gewelddadige vormen kon aannemen, maar waarop het massale geweld van de conventionele oorlog, laat staan dat van de nucleaire oorlog, geen grip kon krijgen of dat hierop al helemaal niet toepasbaar was. Dit lag niet zo zeer daaraan dat het conventionele militaire geweld het volksverzet niet militair zou kunnen breken, maar daaraan dat het dit politiek niet kan. Voor dit laatste is meer nodig dan één of een reeks van militaire overwinningen. Men moet ook de verzetswil breken, een inzicht dan Schell heeft ontleend aan Von Clausewitz.

Dit is in een notendop wat Schell in zijn interessante en stimulerende boek betoogt. Overwinning en nederlaag hangen af van het standhouden van de eigen wil of het breken van die van de tegenstander, ook in geval van geweldloos verzet. Maar als dit inzicht eenmaal is doorgedrongen, dan zien we dat dit natuurlijk ook de kern van Helvey en Bleiker is. In feite betogen zij hetzelfde in totaal andere bewoordingen. Voor Helvey is de wil in zijn werk impliciet, als hij behandelt hoe men deze zo effectief mogelijk ten aanzien van de gestelde doeleinden organiseert. Bleiker komt zeer dicht bij de Clausewitziaanse formuleringen van Schell als hij verwijst naar Gramsci, die, zoals we zagen, inhielden dat een beweging, maar ook een regime, alleen kan slagen als deze voldoende steun vindt bij de bevolking. Voor een verzetsbeweging betekent het ontbreken van de wil tot steun dat deze uiteindelijk ten dode is opgeschreven of dat deze hoogstens in staat is tot een staatsgreep, waarna het nieuwe bewind dan voor hetzelfde probleem komt te staan als het vorige, namelijk hoe de steun van de bevolking te verwerven. Ontbreekt bij de bevolking de wil tot steun aan een regime en gaan de mensen over tot onderhuids verzet, tot "leven in waarheid", dan betekent dat vroeger of later het einde van het regime, zoals de val van de communistische regimes in Oost-Europa en de Sovjetunie illustreren en zoals Bleiker voor de vroegere DDR in detail heeft uitgewerkt. Openlijk verzet is daarbij dan vaak de laatste, maar noodzakelijke zet. Dit is natuurlijk nog maar de "gunstigste", namelijk minst gewelddadige uitkomst, want evenzeer is het mogelijk dat het ontbreken van legitimiteit van en steun voor een bewind leidt tot een Irakese chaos, al naar gelang de omstandigheden.

Het boek van Schell gaat overigens niet over geweldloze bewegingen als zodanig maar over macht en geweld in de twintigste eeuw en de plaats en mogelijkheden van geweldloosheid daarin. Maar juist door dit laatste baant Schell niet-traditionele paden, niet alleen doordat hij als een van de weinigen plaats geeft aan de geweldloosheid in de politiek en dit zelfs tot leidthema van zijn boek heeft gemaakt, maar ook door zijn ongebruikelijke machtstheorie. Meestal wordt macht gezien als het vermogen iets af te dwingen. Hannah Arendt heeft echter laten zien dat macht niet zo zeer tot stand komt wanneer men anderen tot iets kan dwingen, maar wanneer men anderen zover kan brengen samen iets te ondernemen. Dit mag dan wel zo zijn, aldus Schell, maar dit neemt niet weg dat het vermogen iemand te dwingen reëel kan zijn. Schell onderscheidt daarom twee soorten macht: coërcieve macht en coöperatieve macht. Het eerste is het vermogen om door geweld of het dreigen ermee iets af te dwingen. Deze soort van macht is ondeelbaar: men heeft het of men heeft het niet. De tweede soort van macht berust op samenwerking tussen mensen en is deelbaar: macht is des te groter naarmate er meer mensen samenwerken. Beide soorten macht zijn reëel en maken het mogelijk dingen tot stand te brengen. Beide komen in alle politieke situaties voor, maar ze zijn tegengesteld: in de mate dat de ene bestaat wordt de andere uitgeschakeld. Schell spreekt dan ook van het duale aspect van macht. "The power that flows upward from the consent, support, and nonviolent activity of the people is not the same as the power that flows downward from the state by virtue of its command of the instruments of force" (Schell, 2003, p. 231). Beide strijden erom de bovenhand te krijgen en daarbij is het een misverstand te denken dat de coërcieve macht op voorhand wint. Gandhi, King en Havel en recentelijk de ontwikkelingen in Oost-Europa maken duidelijk dat dit een naïeve opvatting is. Opvallend is dat Schell in dit verband geen enkele aandacht besteed aan Sharp, dat hij Sharp zelfs in het geheel niet noemt, terwijl deze toch sinds de publicatie van zijn The politics of nonviolent action in 1973 (wat door vele werken gevolgd werd) als de theoreticus achter de geweldloze volksbewegingen bij uitstek gezien kan worden. Meer nog, Sharp en zijn medewerkers hebben met hun adviezen en werkgroepen, we zagen het hierboven al, vele hedendaagse geweldloze volksbewegingen actief gesteund.14 Deze omissie kan Schell ertoe brengen op te merken dat een idee van macht als coöperatieve macht slechts bij zijn weten door Arendt en Gandhi gehanteerd wordt, als men kijkt naar degenen die in de twintigste eeuw politieke macht geanalyseerd hebben, terwijl het juist vooral de politieke analyticus Sharp is geweest wiens coöperatieve machtstheorieën bij het ten einde lopen van die eeuw (en aan het begin van de 21e eeuw) zijn toegepast.

Dit zijn overigens niet de enige belangrijke missers van Schell. Op het eind van zijn boek doet Schell een viertal interessante voorstellen om tot een vreedzamer wereld te komen. Het vierde omvat de oprichting van een democratische liga om de vreedzame tendensen die in het democratische proces aanwezig zijn te bevorderen en verder te ontwikkelen en met name van een liga om de democratie te verspreiden: "... democratic states can give assistance to one another or to peoples already seeking to found or preserve democracy. Such assistance would be strengthened by the foundation of an alliance made up of the democratic countries of the world" (id., p. 384). Als voorbeelden noemt Schell de Community of Democracies, die door de regering Clinton is opgericht en met 110 landen nauwelijks meer dan een praatclub is, de NAVO, die weliswaar alleen democratische landen kent maar een militaire doelstelling heeft,15 en de Europese Unie, die ook alleen democratieën omvat maar waarin de economie centraal staat, zij het dat vooral de laatste jaren de taken van de EU een steeds ruimer terrein gaan bestrijken. Waar Schell evenwel aan voorbijgaat is dat er al twee organisaties bestaan die exact doen wat hij zich voorstelt, namelijk de Raad van Europa en de OVSE. De eerste is bij uitstek opgericht (in 1949) om de parlementaire democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat te verdedigen en omvat momenteel 47 landen. De organisatie was rechtstreeks betrokken bij de val van het Griekse kolonelsregime in 1974, waarvoor vooral de Nederlandse minister van buitenlandse zaken Max van der Stoel zich heeft ingezet. De in 1975 opgerichte OVSE, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, bestaat uit 55 landen in Noord-Amerika, Europa en de Aziatische staten die vroeger deel uitmaakten van de Sovjet-Unie. Doelstelling van deze organisatie was in eerste instantie het beschermen van de mensenrechten, nationale minderheden en cultuur. In 1990 werd er na de val van het communisme een nieuw verdrag afgesloten, waarbij door de leden de democratie als grondslag voor het staatsbestuur werd erkend en de onmisbaarheid van onder meer democratie werd onderschreven. Hoewel de OVSE geen organisatie van uitsluitend democratische landen is, hebben de activiteiten ervan op het gebied van de bescherming van de mensenrechten, het bemiddelen bij binnenlandse conflicten (vooral als hierbij minderheden betrokken zijn) en het toezien op het democratische verloop van verkiezingen wel degelijk een democratie bevorderende uitwerking. Het is dan ook onbegrijpelijk dat Schell noch deze OVSE noch de Raad van Europa als voorbeelden van mogelijke democratiebevorderende liga’s noemt, hoewel deze dat reeds zijn! Weliswaar zijn ze niet op wereldschaal en ongetwijfeld hebben ze hun gebreken, maar ze doen in wezen wel wat Schell in gedachten heeft.

Deze kritiek, die slechts details zijn op het grotere geheel, doen niets af aan de verdiensten van Schells boek, waaruit ik hier slechts een beperkt aantal punten heb gelicht. Het is zonder meer al uitzonderlijk dat er een boek geschreven wordt, waarin geweldloze conflictvoering als meer wordt gezien dan een voetnoot bij de geschiedenis, buiten de kleine kring van onderzoekers die er, overigens terecht, op uit zijn geweldloosheid als middel om conflicten te benaderen te propageren. Schell plaatst geweldloosheid in het grotere kader van oorlog en geweld. Vandaaruit laat hij de betekenis ervan zien. Dat is heel wat, gezien de heersende (vaak niet expliciete) minachting voor geweldloze conflictbenaderingen,16 terwijl toch de meeste internationale betrekkingen geweldloos verlopen. Bovendien geeft Schells duale machtstheorie perspectieven voor de verdere ontwikkeling van de theorie van de geweldloosheid. In conflicten waarbij de ene partij gebruik maakt van geweldloze methoden en de andere zijn toevlucht neemt of dreigt te nemen tot geweld staan twee ideeën van macht tegenover elkaar, zo wordt uit Schells boek duidelijk. In feite vormt Schells benadering een aanvulling op die van Bleiker en Sharp/Helvey, die voornamelijk oog hebben voor coöperatieve machtsprocessen. Vanuit Schells machtstheorie bekeken wordt duidelijk dat ze voorbijgaan aan de idee van coërcieve macht, die het optreden van de tegenstander, de "machthebber", zoals deze (nu vanuit een eenzijdige visie) gewoonlijk genoemd wordt, leidt. Een kernprobleem van de geweldloze conflictoplossing wordt nu hoe coërcieve en coöperatieve macht zich tot elkaar verhouden en hoe men met behulp van coöperatieve macht coërcieve macht kan breken. Hierbij moet men dan ook nog rekening houden met het onderscheid tussen het politieke niveau en het onderliggende niveau. Terwijl op het onderliggende niveau coërcieve macht de vorm aanneemt van repressie van het onderhuidse verzet dat berust op samenwerking, voor zover het geen individuele zaak is, neemt op politiek niveau de botsing tussen de twee "machten" de vorm aan van openlijk conflict, waarvan bijvoorbeeld volksmanifestaties tegenover optreden van politie en leger een opvallende uiting zijn. Coöperatieve macht is in feite de macht van het getal en een deel van de strijd bestaat daarin hoe de mensen te mobiliseren en organiseren, resp., hoe de mobilisering en de organisatie van de bevolking te verhinderen en te breken. Maar de coërcieve macht kan iemand wel dwingen iets te doen, maar deze kan de coöperatieve macht nooit breken in die zin dat onderhuids verzet, minimaal als "leven in waarheid", altijd mogelijk blijft, of men moet naast iedere persoon die zich zou kunnen verzetten een soldaat zetten (en wie garandeert dat dan ook de soldaat niet heimelijk de onderdrukte steunt? Want naast iedere potentiële verzetsstrijder een soldaat betekent ook naast iedere soldaat een potentiële verzetsstrijder!). Hier is het niet de plaats een theorie voor het geweldloze verzet uit te werken, maar wat we kunnen constateren is dat onderhuids verzet (Bleiker) politiek verzet (Helvey) en machtsbotsing (Schell) hiervan kernbegrippen moeten vormen.

voetnoten

1. Cambridge University Press, Cambridge, 2000.

2. Boétie, Étienne de la, De vrijwillige slavernij, Onze Tijd / In de Knipscheer, Haarlem, 1980. Zie ook Henk bij de Weg, "Hoe laten we ons door een tiran onderdrukken?" in Geweldloze Kracht 2006/2-3, p. 8 en Henk bij de Weg "Étienne de La Boétie: leven, werk en invloed" op website http://www.bijdeweg.nl/Étienne_de_La_Boétie.htm . Étienne de La Boétie heeft overigens ook nog later aan zijn boek geschaafd.

3. Ik ben het niet altijd eens met de biografische interpretaties die Bleiker van Étienne de La Boétie geeft. Hier is het echter niet de plaats om daarop in te gaan.

4. Ik verwijs hiervoor verder naar mijn "Étienne de La Boétie: leven, werk en invloed" (zie noot 2).

5. Zie Václav Havel, Poging om in waarheid te leven, Van Gennep, Amsterdam, 1990.

6. Gene Sharp, Waging Nonviolent Struggle. 20th Century Practice and 21st Century Potential, Porter Sargent Publishers, Boston, 2005.

7. Zie bijv. Werner Warmbrunn, De Nederlanders onder Duitse bezetting, H.J.W. Becht’s Uitg.Mij, Amsterdam, 1963, pp. 151-154.

8. Gene Sharp 1973 resp. 2003.

9.Helvey heeft Sharps machtstheorie voortreffelijk samengevat in het hierna te bespreken Helvey 2004.

10. Sharp 2005.

11. Bij de Weg 2006c.

12.The Albert Einstein Institution. Boston, 2002.

13. "[H]et zijn altijd maar vier of vijf mensen die de tiran staande houden, vier of vijf die het hele land voor hem in horigheid houden ... Die zes [nl. degenen die de tiran steunen; even later spreekt La Boétie van zes in plaats van vier of vijf; HbdW] hebben zeshonderd anderen onder zich die meeprofiteren. En de zeshonderd zijn voor hen hetzelfde wat de zes zijn voor de tiran. Deze zeshonderd hebben zesduizend anderen onder zich, die ze in staatsdienst hebben verheven en aan wie ze het bestuur van provincies of het beheer van de duiten hebben gegeven". La Boétie 1980, p. 43. Zie ook de erop volgende uitwerking ervan door La Boétie.

14. Zie Bij de Weg 2006c en de daar aangehaalde websites.

15. Dat Schell de NAVO in dit verband noemt is nogal cynisch, want deze heeft zich in het verleden aan het democratische karakter van zijn leden weinig gelegen laten liggen. Vgl. Spanje, Portugal en Turkije.

16. Zie bijvoorbeeld Ten Hove, 2005.

Aangehaalde literatuur

  1. Ackerman, Peter; Christopher Kruegler, Strategic nonviolent conflict. The dynamics of people power in the twentieth century, Praeger, Westport enz., 1994.
  2. Bleiker, Roland, Popular dissent, Human Agency and Global Politics, Cambridge University Press, Cambridge, 2000.
  3. Boétie, Étienne de la, De vrijwillige slavernij, Onze Tijd / In de Knipscheer, Haarlem, 1980.
  4. Havel, Václav, Poging om in waarheid te leven, Van Gennep, Amsterdam, 1990.
  5. Helvey, Robert L., On strategic nonviolent conflict. Thinking about the fundeamentals, The Albert Einstein Institution. Bosotn, 2002.
  6. Hove, Johan ten, "De totale oorlog is al uitgestorven. Nu de rest van het wapengeweld nog", in Trouw, 22 januari 2005.
  7. Schell, Jonathan, The unconquerable world. Power, nonviolence, and the will of the people, Penguin Books, Londen, 2003.
  8. Sharp, Gene, The politics of nonviolent action, Porter Sargent Publishers, Boston, 1973.
  9. Sharp, Gene, From dictatorship to democracy, The Albert Einstein Institution, Boston, 2003.
  10. Sharp, Gene, Waging Nonviolent Struggle. 20th Century Practice and 21st Century Potential, Porter Sargent Publishers, Boston, 2005.
  11. Warmbrunn, Werner, De Nederlanders onder Duitse bezetting, H.J.W. Becht’s Uitg.Mij, Amsterdam, 1963.
  12. Weg, Henk bij de, "Hoe laten we ons door een tiran onderdrukken?" in Geweldloze Kracht 2006/2-3, p. 8. (2006a)
  13. Weg, Henk bij de, "Étienne de La Boétie: leven, werk en invloed" op website http://www.bijdeweg.nl/Étienne_de_La_Boétie.htm . (2006b)
  14. Weg, Henk bij de, "Gene Sharp: De theoreticus achter de geweldloze volksbewegingen" in Geweldloze Kracht 2006/4, pp. 18-20. Ook op website http://www.bijdeweg.nl/GeneSharp.htm . (2006c)

terug (Nederlands)

back (English)