terug

Étienne de La Boétie: leven, werk en invloed            Geboortehuis van La Boetie in Sarlat

Henk bij de Weg

Étienne de La Boétie1 (1530-1563) is in vredeskringen weinig bekend. Toch is dit niet terecht. Deze jong gestorven Franse jurist, die in de filosofie en literatuur vooral bekend is geworden door zijn vriendschap met Michel de Montaigne, schreef, nog nauwelijks volwassen, een boekje over de mechanismen van onderdrukking door een tiran. Meer dan vier eeuwen later wordt het nog steeds herdrukt. Het heeft grote invloed uitgeoefend op de grondleggers van de moderne opvattingen over burgerlijke ongehoorzaamheid. Wie was deze man en wat is zijn invloed geweest? In dit artikel wil ik daarop ingaan. Achtereenvolgens behandel ik La Boétie’s levensgeschiedenis, het boek waardoor hij zo bekend is geworden, nl. de Verhandeling over de Vrijwillige Slavernij, en de invloed van dit boek.2

Zijn leven

Het leven van Étienne de La Boétie moet men zien tegen de achtergrond van zijn tijd. Dat geldt natuurlijk voor iedereen, maar als lid van het Parlement (= Gerecht) van Bordeaux had hij rechtstreeks te maken met de verwikkelingen die zich om hem heen afspeelden. Dat waren met name de godsdiensttwisten en -oorlogen en de strijd om de koningsmacht en de pogingen van de Franse koningen om hun gezag steviger te vestigen. Het een stond niet los van het ander, want het opkomende protestantisme werd door de koningen veelal als een bedreiging ervaren. Als lid van het Bordeause Parlement was het La Boétie’s taak de wetten van de koning uit te voeren en twisten te beslechten. Een gebeurtenis waarbij de koning zijn gezag herstelde en die waarschijnlijk veel indruk op La Boétie gemaakt heeft, speelde zich echter al voor die tijd af, namelijk de bloedige en hardhandige onderdrukking van de opstand tegen de zoutbelasting in Zuidwest-Frankrijk door de connétable (opperbevelhebber) Anne de Montmorency in 1548. Hierbij werden niet alleen de directe schuldigen zwaar gestraft maar ook de stad Bordeaux als zodanig, o.a. door het intrekken van privileges van burgers en stad en het inkwartieren van een groot aantal soldaten.

Op godsdienstig gebied was het de tijd van het opkomende protestantisme. Dit leidde niet alleen tot felle discussies tussen protestanten en katholieken over de juiste leer maar ook tot twisten over praktische zaken als het gebruik en bezit van kerkelijke goederen, de plaats waar de protestantse diensten gehouden moesten worden en dergelijke zaken. Dit ging van beide kanten met veel geweld gepaard. Zo werden de protestanten regelmatig vervolgd en op de brandstapel gebracht. Dit overkwam bijvoorbeeld Anne du Bourg, leermeester van La Boétie aan de Universiteit van Orléans. Aan de andere kant vernielden de protestanten vaak de beelden in roomskatholieke kerken, namen kerkelijke goederen in beslag en vormden gewapende groepen tot zelfs hele legers. Op den duur was er van een ware oorlogstoestand sprake. Zo sneuvelde Montmorency in 1567 bij een veldslag tegen een leger van Hugenoten. Dit was echter al na de dood van La Boétie.

Étienne de La Boétie werd op 1 november 1530 in Sarlat geboren, een stadje in de Périgord in Zuid-Frankrijk. Hij behoorde tot een patricische familie die zich in de loop van enige generaties had opgewerkt. Over zijn jeugd is niet veel bekend. Wel weten we dat Étienne’s vader overleed, toen hij nog jong was, en dat hij grotendeels door zijn oom Étienne is opgevoed, die zich overigens voortreffelijk van zijn taak heeft gekweten. Welke school La Boétie bezocht, kunnen we alleen maar raden en we komen zijn naam pas weer tegen op 23 september 1553, als in het register van de Universiteit van Orléans vermeld staat dat hem een licentiaat in de rechten verleend is. Zijn eerste leermeester aan deze universiteit was Anne du Bourg, die toen reeds naar het protestantisme neigde maar nog niet die actieve strijder voor de nieuwe godsdienst was, die hij later in zijn tijd als raadsheer bij het Parlement van Parijs zou worden. Mogelijk voelde La Boétie zich toen ook door het protestantisme aangetrokken, maar dit is onzeker. Wel zeker is dat hij uiteindelijk katholiek is gebleven, maar in zijn opvattingen over de strijd tussen de godsdiensten altijd gematigd was. Bij het begin van zijn universitaire studie had La Boétie zijn Verhandeling over de Vrijwillige Slavernij al geschreven. Wanneer hij dat precies gedaan heeft, is niet bekend. Mogelijk was dit al op zijn zestiende, maar in ieder geval uiterlijk toen hij 18 jaar oud was.

Kennelijk had La Boétie tijdens zijn studie een goede reputatie verworven, want hij werd op 23-jarige leeftijd tot raadsheer van het Parlement van Bordeaux benoemd, hoewel de minimumleeftijd hiervoor eigenlijk 25 jaar was. Hij maakte deze reputatie direct waar, vertoonde grote inzet en kreeg al snel enkele speciale opdrachten, gevolgd door zijn eerste grote opdracht in 1560. Het werden er steeds meer. Inmiddels was hij getrouwd met Marguerite de Carle, een weduwe uit een aanzienlijke familie met twee kinderen. Op een grote feestelijke bijeenkomst in Bordeaux in 1557 leerde La Boétie Michel de Montaigne kennen. Het is Montaigne die hiertoe het initiatief neemt, nieuwsgierig om te weten te komen, wie die persoon wel was die de Verhandeling had geschreven. Het klikte meteen tussen beiden. Hun vriendschap wordt exemplarisch in de literatuur en filosofie en zal tot de dood van La Boétie duren. Vaak zullen ze elkaar echter niet zien, want La Boétie moet voor zijn opdrachten regelmatig lange reizen maken. Een opdracht van zijn collega’s om met de koning over een betere uitbetaling van de salarissen te praten voerde hem in 1560 naar Parijs. Bij een volgende opdracht moet hij in 1561 naar de streek van Agen, deze keer als assistent van de gezant van de koning, die daar in diens opdracht tegen de godsdiensttwisten moest optreden. Deze gezant had La Boétie juist vanwege zijn gematigde opvattingen als assistent uitgekozen. Mede dankzij La Boétie komt het tot een acceptabel vergelijk. La Boétie was, aldus zijn biograaf Bonnefon, in die tijd een van de weinige denkers die gewetensbezwaren serieus namen. Ook bij degenen die tolerantie tegenover het protestantisme voorstonden, was deze tolerantie gewoonlijk niet meer dan een politiek middel om erger te voorkomen.

De vrede die in de streek van Agen, maar ook in Bordeaux en elders, tot stand was gekomen, bleek niet meer dan tijdelijk. Omdat het Bordeause parlement een aanslag van protestantse troepen vreesde, werd besloten 1200 soldaten aan te werven en telkens 100 van hen onder het commando van een raadsheer te plaatsen. Eén van de raadslieden die hiertoe werd aangewezen was La Boétie. Het getuigde van een groot vertrouwen in zijn gevoel van gerechtigheid en zijn vermogen om gezag af te dwingen. Het zou echter Étienne de La Boétie’s laatste publieke daad blijken te zijn. Enige tijd later, na een kaatswedstrijd, voelt hij zich niet goed. La Boétie bleek aan de pest te lijden. Na een ziekbed van tien dagen overleed hij op 18 augustus 1563, 32 jaar oud, in aanwezigheid van zijn familie en van Montaigne.

Zijn werk

La Boétie heeft ons niet alleen zijn Verhandeling achtergelaten. Hij schreef ook gedichten en vertaalde diverse werken van Plutarchus en Xenophon. Verder zijn er brieven van hem bekend. Het belangrijkste werk van La Boétie is echter de Discours de la Servitude volontaire oftewel de Verhandeling over de Vrijwillige Slavernij.3 Van de ontstaansgeschiedenis van dit werk is niets bekend, ook niet wanneer het precies geschreven is, maar La Boétie moet dan, zoals gezegd, 16 of ten hoogste 18 jaar geweest zijn. Toch kan men het werk niet zonder meer als een jeugdwerk beschouwen, want hij heeft er ook later nog aan gewerkt en er wijzigingen in aangebracht. Het boek, waarvan Montaigne zegt "een edeler en volmaakter stuk laat zich niet denken"4, is te zien als een reactie op De Vorst van Machiavelli. Terwijl Machiavelli aangeeft hoe de vorst op allerlei wijzen zijn macht kan versterken en vergroten, geeft La Boétie aan hoe de onderdanen de macht van de vorst kunnen breken en wel op geweldloze wijze. La Boétie doet dit door te laten zien hoe de mechanismen van onderwerping aan een tiran functioneren, maar ook door duidelijk te maken, en dit is vooral de betekenis van het boek, dat onderwerping aan jezelf ligt.

De Verhandeling gaat uit van de vraag hoe het mogelijk is dat zoveel mensen een tiran verdragen die niet meer macht heeft dan ze hem zelf gegeven hebben en die hen alleen schaadt voor zover ze het zelf toestaan. Bovendien is deze tiran vaak niet eens bijzonder sterk. Hij staat immers tegenover tienduizenden mensen. La Boétie zegt dan ook dat hier geen sprake is van lafheid maar dat de onderdanen zich gewoon niet willen verzetten. Maar is het dan niet nodig om strijd te leveren tegen een tiran en zich tegen hem te verzetten om van hem af te komen? Volgens La Boétie is dit niet het geval. Het volstaat hem geen steun meer te geven, want "hij wordt immers vanzelf verslagen als het land niet langer toestemt in de eigen slavernij. Men hoeft hem niets af te nemen, alleen maar hem niets meer te geven".5 Als de mensen de tiran hun steun blijven geven, dan zijn zij het zelf die hun onderdrukking goedvinden. Ze hoeven deze immers alleen maar te willen beëindigen. Om een of andere reden schijnen de mensen hun vrijheid evenwel niet te willen. La Boétie wil onderzoeken waarom dit zo is.

Hiertoe onderscheidt hij drie soorten tirannen: 1) zij die het koninkrijk bezitten door de keuze van het volk; 2) zij die het door wapengeweld hebben verkregen en 3) zij die het door erfopvolging hebben verkregen. De eerste twee gedragen zich als bezetters en de derde soort van is eigenlijk ook niet veel beter. In eerste instantie is het mogelijk dat mensen hun vrijheid verliezen, doordat ze worden gedwongen of doordat ze (bijvoorbeeld door intriges) misleid worden, maar dan is het nog verbazingwekkend, dat ze hun vrijheid niet terug trachten te krijgen. Daarna komen er mensen die nooit vrijheid hebben gekend en zij gehoorzamen uit gewoonte, omdat ze de bestaande toestand als de natuurlijke staat beschouwen. Ook gewoonte en opvoeding leren ons te dienen. We kunnen daarom samenvattend zeggen dat de eerste reden van de vrijwillige slavernij de gewoonte is. De vrijheid gaat overigens nooit geheel verloren, maar blijft altijd in het hoofd bestaan.

De tweede reden van de vrijwillige slavernij is, dat onder tirannen mensen gemakkelijk laf en week worden. Tirannen proberen dit ook te stimuleren en trachten de mensen dom te houden door het organiseren van spelen e.d. of door trucs toe te passen om de indruk te geven dat ze geen normale mensen zijn. Ze doen het bijvoorbeeld voorkomen dat ze bijzondere gaven hebben, zoals het kunnen verrichten van wonderbare genezingen.

Als derde en belangrijkste reden voor de macht van de tiran ziet La Boétie het volgende: de tiran wordt in feite niet in het zadel gehouden door zijn troepen maar door een klein aantal vertrouwelingen, die door hem geroepen zijn om hem te helpen of in zijn macht te delen, of die juist hem benaderd hebben en hem ook proberen te manipuleren. Deze vertrouwelingen hebben zelf weer hun eigen achterban van mensen die met hen meeprofiteren. En de leden van de achterban hebben op hun beurt weer hun eigen achterban enz., zodat er in feite sprake is van een heel netwerk dat als een piramide is opgebouwd. Ieder is op zijn plaats zelf een tiran. Degenen onder aan de ladder, de boeren en de arbeiders, zijn toch in zekere zin vrij: ze voeren hun orders uit en doen verder wat ze willen. Degenen hogerop moeten "hun" tiran echter voortdurend in de gaten houden en kijken of ze zich voldoende aan hem aanpassen om hun plaats te behouden. Is dat een gelukkig leven, vraagt La Boétie zich af, je zo in te moeten passen in dit systeem en dat alleen om rijkdom te winnen? Daarbij worden de gunstelingen vaak het slachtoffer van hun tiran. Meer nog, vriendschap met een tiran is hoe dan ook niet mogelijk, vooral niet omdat hij alleen boven allen staat. Gunstelingen kunnen zich bij een tiran dan ook niet veilig voelen. Maar niemand durft tegen hem op te treden, maar hoogstens tegen degenen die hem vertegenwoordigen.

La Boétie heeft dit "opstel ... tegen de tyrannen en ter ere van de vrijheid", zoals Montaigne de Verhandeling aanduidt,6 tijdens zijn leven niet gepubliceerd. Wel circuleerde het in de "Republiek der Letteren", de internationale gemeenschap van geleerden die nauwe contacten met elkaar onderhielden. Ook Montaigne, die de literaire nalatenschap van La Boétie erfde en wel andere werken van hem deed uitgeven, heeft van publicatie van de Verhandeling afgezien. Aanvankelijk is hij dit wel van plan geweest. In 1570 schrijft hij echter, dat hij de Verhandeling in deze "onaangename tijd" ("mal plaisante saison")7 niet voor publicatie geschikt vindt. Met deze "onaangename tijd" doelt Montaigne kennelijk op de beroeringen van de godsdienstoorlogen in Frankrijk.

Anderen zijn hem dan voor: Enkele jaren later wordt de Verhandeling door de Hugenoten in druk uitgegeven, eerst in delen, dan in zijn geheel. In 1574 worden delen anoniem en in het Latijn opgenomen in een groter werk, dat illegaal wordt verspreid. Dit werk wordt overigens in hetzelfde jaar nog in het Frans vertaald. In 1576 wordt de Verhandeling in Genève opnieuw uitgegeven en wel als onderdeel van een verzameling geschriften. In deze uitgave is het werk min of meer kompleet, maar wel heeft het een andere titel, namelijk "Contr’Un" ("Tegen de Ene"), een titel die sindsdien vaker gebruikt zal worden. In 1577 verschijnt dan in Reims de eerste zelfstandige editie van het boek.

Montaigne loopt ondertussen nog steeds met de gedachte rond de Verhandeling uit te geven, niet als zelfstandig werk maar toegevoegd aan zijn essay "Over vriendschap" in zijn bundel Essais. Twee dagen voor het ontvangen van de toestemming tot publicatie ervan vinden er evenwel in Bordeaux en elders in Frankrijk in opdracht van de diverse parlementen openbare boekverbrandingen van werken van de Hugenoten plaats. Ook de geschriftenbundel uit 1576 met hierin de "Contr’Un" gaat in vlammen op. Geplaatst voor de politieke onmogelijkheid het werk van zijn vriend nu in de Essais op te nemen, vervangt hij het door 29 sonnetten van La Boétie. Hij motiveert dit daarmee dat hij had gemerkt dat de Verhandeling "inmiddels met een kwalijk oogmerk, [was] uitgegeven door hen die ernaar streven onrust te zaaien in onze staat en die te veranderen, zonder zich er om te bekommeren of zij die ook verbeteren, en dat ze het hebben samengevoegd met andere geschriften van hun eigen baksel".8

Opvallend is dat Montaigne vervolgens tracht de waarde van de Verhandeling te verminderen, nadat hij het eerder in het essay toch zo had geprezen. Met nadruk wijst hij erop dat La Boétie "deze verhandeling alleen als oefening in zijn jeugd geschreven heeft" en dat het over een alledaags thema gaat, waar al zoveel over is geschreven.9 Meer nog, in eerste instantie schrijft Montaigne in zijn essay "Over vriendschap" dat La Boétie de Verhandeling op 18-jarige leeftijd had geschreven, iets wat hij in de eerste vier edities van de Essais ongewijzigd laat. Voor de vijfde (na zijn dood verschenen) uitgave corrigeert hij dit echter in 16 jaar. Waarom doet hij dit? Om de reputatie van zijn vriend te beschermen, omdat de Verhandeling nu eenmaal slechts een jeugdwerk was? Om zichzelf te beschermen? Om te voorkomen dat het werk politiek misbruikt zou worden?

Zijn invloed

Met het beëindigen van de godsdiensttroebelen verdwijnt de belangstelling voor de Verhandeling. Slechts een enkeling leest het werk nog. In de 18e eeuw wordt het tezamen met de Essais van Montaigne (maar niet bij Franse uitgevers) enige malen herdrukt zonder echter een merkbare invloed uit te oefenen. Men kan zeggen, aldus Bonnefon, dat het werk niet op zijn juiste waarde geschat wordt. Een uitzondering vormt misschien Rousseau, in wiens werk een aantal frappante overeenkomsten met de Verhandeling valt aan te treffen.

Tijdens de Franse revolutie krijgt het boek weer veel aandacht en wordt het ook in Frankrijk herdrukt. Van een echte herontdekking van de Verhandeling kan echter pas gesproken worden in het midden van de 19e eeuw. In Frankrijk wordt een nieuwe uitgave verzorgd door Lamennais. Het is de eerste van een lange reeks die zullen volgen, zowel in dit land als elders.10 Vanaf nu zal de invloed van het boek blijvend zijn, met name de kernidee: "Dieser Essay verkündigt, was in anderen Sprachen später [andere] sagen werden: In euch sitzt es, es ist nicht draußen; ihr selbst seid es; die Menschen sollten nicht durch Herrschaft gebunden sein, sondern als Brüder verbunden".11 En deze anderen zijn niet alleen bijvoorbeeld de door Landauer genoemde Bakoenin of Tolstoj, maar na hem ook mensen als Bart de Ligt, Mohandas K. Gandhi en vandaag de dag Gene Sharp, die allen direct of indirect door het werk van Étienne de La Boétie beïnvloed zijn en van wie de opvattingen zijn te zien als een uitwerking van de in wezen simpele kernidee van La Boétie.

Ongeveer tegelijk met de herontdekking van La Boétie in Frankrijk stuitte in de Verenigde Staten Ralph Waldo Emerson op zijn werk. Hij wijdde zelfs een gedicht aan hem. Ook Henry David Thoreau, de schrijver van het bekende "Over burgerlijke ongehoorzaamheid", kende La Boétie, mogelijk op hem gewezen door zijn vriend Emerson. Leo N. Tolstoj heeft de Verhandeling niet alleen gekend, maar er in zijn werk ook gebruik van gemaakt, zoals Bart de Ligt in zijn "Inleiding" bij de door hem verzorgde uitgave ervan heeft laten zien.12 In zijn De wet van het geweld en de wet van de liefde haalt Tolstoj instemmend een lange passage aan, waarin La Boétie beschrijft hoe tirannie wordt georganiseerd, omdat hij de analyse van La Boétie in het tsarenrijk bevestigd ziet. In A letter to a Hindu verwijst Tolstoj weliswaar niet expliciet naar La Boétie, maar hierin komt een passage voor die zo’n treffende gelijkenis heeft met een passage uit de Verhandeling dat hier niet van toeval sprake kan zijn. La Boétie betoogt, zoals we zagen, dat een tiran zijn macht kan handhaven en uitoefenen doordat de macht volgens een soort van piramidaal opgebouwd netwerk gestructureerd is (zie de vorige paragraaf). Evenzo betoogt Tolstoj dat de macht van de Engelsen in India op gelijke wijze opgebouwd is en dat hierdoor een handelsonderneming erin geslaagd is met 30.000 mensen, die niet over uitzonderlijke kwaliteiten beschikten, een volk van 200 miljoen mensen te onderwerpen. Het is dus duidelijk, aldus Tolstoj, dat niet de Engelsen de Indiërs hebben onderworpen, maar dat de Indiërs dit zichzelf hebben aangedaan. Net zoals La Boétie zegt Tolstoj dan dat het helemaal niet nodig is om naar geweld te grijpen om aan een dergelijke onderdrukking een einde te maken. Het is voldoende niet meer met het gewelddadige systeem mee te werken door niet meer aan het bestuur deel te nemen, niet meer voor het gerecht te verschijnen, geen belasting meer te betalen en vooral niet meer als soldaat dienst te doen.13 Deze brief had Tolstoj in 1908 gericht aan C.R. Das, een Bengaals jurist en vooraanstaand figuur in de Indiase onafhankelijkheidsbeweging. Wat Tolstoj geschreven had maakte echter vervolgens zoveel indruk op Gandhi, dat deze toestemming vroeg de brief in een oplage van 20.000 stuks te verspreiden, wat ook gebeurd is.

Bart de Ligt kwam de naam van La Boétie omstreeks 1900 voor het eerst tegen. Deze werd evenwel pas levend voor hem, toen hem in 1917 werd gewezen op het boekje Die Revolution, dat Gustav Landauer tien jaar eerder had geschreven. Landauer is degene die met Die Revolution La Boétie in Duitsland heeft geïntroduceerd, welk werk, zo formuleert De Ligt het, "in [de] bespreking van de geniale Fransman culmineert".14 Volgens Landauer geeft het hierboven aangehaalde kernidee van La Boétie’s Verhandeling de essentie van de revolutie weer en na hem is er niemand meer geweest, die deze beter heeft uitgedrukt. Landauer wijst echter op een belangrijke verandering die zich sinds de tijd van La Boétie heeft voorgedaan: de revolutie richt zich niet meer tegen een bepaalde persoon, de tiran, maar tegen de absolute staat. "Man erkennt dann, dass nicht die Staatsform es ist, die die Knechtung in sich birgt, sondern dass die Selbstknechtung und Selbstpreisgebung, das Schmutzigste des Unsauberen, das Mißtrauen des Menschen, nicht nur gegen die anderen, sondern zumal gegen sich selbst in der Form des Staates an sich liegt, die die Form der Herrschaft, des Außen, des Toten an die Stelle des Geistes, des Innern, des Lebens gesetzt hat".15 De bewondering van Landauer voor La Boétie ging zo ver, dat hij enige tijd na het voltooien van Die Revolution de Verhandeling in het Duits heeft vertaald en uitgegeven.

Ook De Ligt heeft later een uitgave van de Verhandeling verzorgd en wel in 1933, hoewel hij deze niet zelf vertaald heeft. Sinds zijn kennismaking met dit werk in 1917 neemt hij het aanvankelijk steeds op zijn reizen mee. Sindsdien duikt in zijn werk regelmatig de naam van La Boétie op. In zijn The conquest of violence vat De Ligt de ideeën van La Boétie kort samen en wijst hij op de invloed ervan in zijn tijd, zoals de hierboven aangehaalde receptie bij Tolstoj.16 Voor de Nederlandse vertaling van de Verhandeling schrijft De Ligt een uitgebreide inleiding. Hierin gaat hij vooral in op de achtergronden en invloed van het werk bij hemzelf en anderen, evenals op de betekenis ervan voor de tijd waarin De Ligt zelf leeft. Eerder al had Ferdinand Domela Nieuwenhuis een lang artikel geschreven, waarin hij La Boétie’s idee dat tirannieke macht volgens een piramidaal opgebouwd netwerk gestructureerd is, gebruikt om de machtsstructuur in het kapitalisme te analyseren.17

Sinds de herontdekking van de Verhandeling in de 19e en begin 20e eeuw is dit werk niet meer opnieuw in vergetelheid geraakt. Het wordt nog altijd bestudeerd en dat niet louter vanwege de historische betekenis ervan maar juist omdat het nog steeds niet aan actualiteit heeft verloren. De idee dat macht uiteindelijk op gehoorzaamheid berust en dus in laatste instantie van onderen komt en niet van boven doet nog steeds opgeld, ook al is het waar, zoals La Boétie heeft laten zien, dat gehoorzaamheid vaak wordt afgedwongen door geweld of manipulatie en dat er voordelen verbonden zijn aan gehoorzaamheid, zodat velen belang hebben bij een bestaande machtsstructuur. En ook al verdwijnt de idee van vrijheid zelfs niet na langdurige onderdrukking, het blijkt toch niet gemakkelijk deze vrijheid daadwerkelijk terug te winnen, als eenmaal het besef is doorgedrongen dat vrijheid in jezelf zit.

Een van de belangrijkste hedendaagse auteurs die heeft laten zien hoe het mogelijk is zich op geweldloze wijze van individuele of staatstirannie en onderdrukking te bevrijden en die zich beroept op La Boétie is de Amerikaanse onderzoeker en vredesactivist Gene Sharp. In zijn uitgebreide werk geeft Sharp niet alleen 198 methoden van geweldloze actie, maar hij laat tevens aan de hand van voorbeelden zien, hoe deze in de praktijk functioneren.18 Bij veel methoden en hun voorbeelden gaat het om kleinschalige actie, maar dat door het opzeggen van gehoorzaamheid en het uitgekiend voeren van geweldloze actie ook ongewenste dictatoriale regiems verdreven kunnen worden en tirannen ten val kunnen worden gebracht, heeft niet alleen een charismatische leider als Gandhi destijds laten zien, maar blijkt ook uit de massale volksbewegingen die de laatste jaren overal op de wereld hebben plaatsgevonden, zoals in de Filippijnen, of onlangs in Servië, de Oekraïne en Georgië. Hoewel de leiders van dergelijke bewegingen theoretisch vaak goed onderlegd zijn, zullen weinig deelnemers eraan beseffen, dat ze gebruik maken van een idee dat al in de 16e eeuw door een Fransman geformuleerd werd, door Étienne de La Boétie.

Literatuurlijst

Bij het schrijven van het artikel is van de volgende literatuur gebruik gemaakt:

  • Boétie, Étienne de la, Verhandeling over de vrijwillige slavernij. Tegen de Ene. Vertaald door Hillegonda de Ligt, met een inleiding van Bart de Ligt; Servire, Den Haag, 1933. Ook te vinden op website http://www.athene.antenna.nl/MEDIATHEEK/BOETIE-1.html .
  • Boétie, Étienne de la, De vrijwillige slavernij. Vertaald door Ewald Vanvugt, uitgeleid door dr. A.L. Constandse; Onze Tijd/In de Knipscheer, Haarlem, 2001.
  • Bonnefon, Paul, "Estienne de La Boétie. Sa vie, ses ouvrages et ses relations avec Montaigne", in: Oeuvres complètes d’Estienne de La Boétie, G. Gounouilhou/J. Rouam, Bordeaux/Parijs 1892, pp. xi-lxxxv.
  • Cocula, Anne-Marie, Étienne de La Boétie, Sud Ouest, Bordeaux, 1995.
  • Delacomptée, Jean-Michel, Et qu’un seul soit l’ami. La Boétie, Gallimard, Parijs, 1995.
  • Domela Nieuwenhuis, Ferdinand, The pyramid of tyranny, Freedom Press, Londen, 1909.
  • Landauer, Gustav, Die Revolution, Unrast, München, 2003
  • Ligt, Bart de, "Inleiding", in: La Boétie 1933.
  • Ligt, Bart de, The conquest of violence, Pluto Press, Londen, 1989.
  • Montaigne, Michel de, "Over vriendschap", in Essays, Boom, Amsterdam, 2001, pp. 224-238
  • Sharp, Gene, The politics of nonviolent action, Porter Sargent, Boston, 1973.
  • Sharp, Gene, Waging nonviolent struggle, Porter Sargent, Boston, 2005.
  • Tolstoj, Leo N., "Letter to a Hindu", op: http://www.gutenberg.org/dirs/etext04/hindu10.txt .

Noten

1 Er bestaan diverse spellingsvarianten van deze naam.

2  Het boek van Étienne de La Boétie is in het Nederlands onder diverse titels vertaald. De door mij gebruikte vertaling sluit het dichtst aan bij de Franse titel, Discours de la Servitude volontaire.

3 Zie voor de Nederlandse uitgaven de literatuurlijst.

4 Montaigne 2001, 224

5 La Boétie 2001, 14.

6 Montaigne 2001, 224

7 Zie Bonnefon 1892, xxx1-xxxii; Cocula 1995, 146.

8 Montaigne 2001, 237

9 t.a.p.

10 Cocula telt in de periode tot aan 1993 vijftien heruitgaven van de Verhandeling in Frankrijk, dus ongeveer één per tien jaar. Zie Cocula 1995, 174-175.

11 Landauer 2003, 95-96.

12 De Ligt 1933.

13 Tolstoj, "Letter to a Hindu", § V.

14 De Ligt 1933; Landauer 2003.

15 Landauer 2003, 94-96, 113. Het citaat staat op p. 113.

16 De Ligt 1989, 104-106.

17 Domela Nieuwenhuis 1909.

18 Sharp 1973 en 2005. Zie ook mijn artikel over Sharp op deze website: http://home.kpn.nl/wegweeda/GeneSharp.htm

terug