terug (Nederlands)

back (English)

De ontwikkeling van het antimilitarisme en pacifisme in Nederland voor de Tweede Wereldoorlog

Henk bij de Weg

 

Het geweldloze verzet tegen de Duitse bezetting in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog is niet zonder betekenis geweest. Hoewel de bevrijding van Nederland met militaire middelen heeft plaatsgevonden, heeft dit geweldloze verzet op een aantal belangrijke punten weten te voorkomen, dat de bezetter de Nederlanders zijn wil oplegde. Anders dan bijvoorbeeld in België was een buitenlandse bezetting voor Nederland echter een gebeurtenis uit lang vervlogen tijden. De laatste bezetting was in 1813 geëindigd en verzetservaring ontbrak hier dan ook. Daar staat tegenover dat Nederland een unieke traditie van antimilitarisme en pacifisme kende. Het ligt dan ook voor de hand te veronderstellen dat deze voor de verzetsactiviteiten van belang is geweest. Hoewel de directe betekenis van deze traditie voor het verzet moeilijk is na te gaan en grotendeels nog niet uitgezocht is, zal in dit artikel een globaal overzicht van de vooroorlogse vredesbeweging worden gegeven. Op het eind van dit artikel wordt dan vervolgens op de vraag naar de invloed ervan op het geweldloze verzet teruggekomen.

Het begin

Voor de Tweede Wereldoorlog bestonden er sterke pacifistische en antimilitaristische stromingen in Nederland, die hun oorsprong hadden in ontwikkelingen vanaf het einde van de 19e eeuw. Deze stromingen waren in een groot aantal groepen georganiseerd. Hun inspiratie ontleenden ze vooral aan het sociaal-democratische, het anarchistische en het christelijke gedachtegoed. Met name de anarchistisch en christelijk georiënteerde groepen zijn voor het denken over geweldloosheid van belang geweest. De sociaal-democraten en een deel van de anarchisten waren overigens wel antimilitaristisch maar niet principieel tegen geweld. Anarchisten als Ferdinand Domela Nieuwenhuis aanvaardden revolutionair geweld, de sociaal-democraten aanvaardden een volksleger dat zo gevormd is dat het niet meer voor de onderdrukking van de arbeiders ingezet kan worden. De sociaal-democratische SDAP stemde aanvankelijk in het parlement steeds tegen de begroting van defensie maar maakte voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een ommezwaai en steunde het regeringsvoorstel om gelden voor de mobilisatie vrij te maken. Na de oorlog stemde de SDAP echter steeds weer tegen de defensiebegrotingen.

Bloeiperiode

De anarchistisch en christelijk georiënteerde antimilitaristische en pacifistische groepen hadden voor de Eerste Wereldoorlog al enige betekenis, vooral de anarchistische, die in 1904 de Internationale Anti-Militaristische Vereniging (IAMV) oprichtten. Internationaal stelde de IAMV weinig voor, voor Nederland was de organisatie des te belangrijker. Door de Eerste Wereldoorlog nam de aanhang van het antimilitarisme en pacifisme sterk toe. Dit uitte zich vooral in de groei van de bestaande bewegingen en de opkomst van het dienstweigeren. Hoewel dienstweigeren voor de oorlog incidenteel voorkwam, nam het nu sterk toe tot zo’n 500 weigeraars in de jaren 1915-1918. Omdat er geen dienstweigerwet was, kwamen weigeraars in de gevangenis terecht. In deze situatie kwam weinig verandering, totdat de dienstweigeraar Herman Groenendaal in 1921 in hongerstaking ging. Deze actie werd in heel Nederland op grote schaal gesteund. Groenendaal hield zijn actie vijf maanden vol tot een bomaanslag hem deed besluiten deze te stoppen. De actie bleef echter niet zonder resultaat en in 1923 werd het dienstweigeren wettelijk mogelijk.

De anarchistische vakbeweging zag zijn ledental tijdens en na de oorlog sterk groeien tot 55.000 in 1920. Daarna liep dit snel terug. Anders ging het met de IAMV. Deze probeerde zich tot een werkelijk internationale organisatie om te vormen en richtte daartoe het Internationale Anti-Militaristische Bureau (IAMB) op. Hiervan waren 34 Nederlandse groepen lid op een totaal van zo’n 2500 in het begin van de jaren twintig. Toch bleef het in de praktijk een voornamelijk Nederlandse organisatie.

De belangrijke christelijke groep van antimilitaristen en pacifisten was aanvankelijk de Bond van Christen-Socialisten met o.a. Bart de Ligt (die ook actief was in de IAMV). Veel leden voelden zich evenwel aangetrokken tot het anarchisme en in 1919 werd deze Bond opgeheven en in 1920 opgevolgd door de Bond van Religieuze Anarcho-Communisten (BRAC). De BRAC bleef met 100 leden klein maar had veel invloed, vooral op de theoretische ontwikkeling van het geweldloze militarisme.

Het belangrijkste succes van de, wat we nu zouden noemen, vredesbeweging in de jaren twintig was het tegenhouden van de vlootwet. In 1923 diende de regering een wet in om de vloot in Nederlands-Indië te versterken. Hiertegen kwam sterk verzet vanuit de bevolking. SDAP en NVV, die zich beide kort daarvoor voor eenzijdige nationale ontwapening hadden uitgesproken, organiseerden een volkspetionnement tegen de wet. Dit werd door 1.132.228 mensen ondertekend. Dankzij het petionnement werd de vlootwet in de Tweede Kamer met één stem verschil verworpen. Het succes was echter eenmalig. Een petionnement in 1930 tegen de uitbreiding van leger en vloot kreeg zelfs 1.546.420 handtekeningen. Toch werd deze uitbreiding door het parlement aanvaard.

Tussen 1919 en 1932 zijn er in Nederland 32 uitgesproken antimilitaristische of pacifistische organisaties met zo’n 25.000 leden. De meeste hiervan en een aantal politieke en humanitaire organisaties verenigen zich in 1924 in de Nooit Meer Oorlog Federatie (NOMF). In 1931 omvat de NOMF via zijn leden ongeveer 80.000 mensen. Kijken we naar de opkomst bij demonstraties en manifestaties en het aantal abonnees van antimilitaristische en pacifistische bladen, dan blijkt de vredesbeweging echter een grote aanhang te bezitten. Een deel van deze aanhang richt ook nieuwe organisaties op. Zo ontstaan er kerkelijke organisaties, die anders dan de oudere christelijke organisaties nauwe banden met de kerken hebben en ook binnen deze werkzaam zijn. De belangrijkste is het protestants-christelijke Kerk en Vrede, opgericht in 1924. Kerk en Vrede heeft al gauw 8 à 9.000 leden en wordt één van de belangrijkste vredesorganisaties. Ook de jongeren komen nu met eigen organisaties. De belangrijkste is Jongeren Vredes Actie (JVA), eveneens uit 1924. De leden zijn vooral uit burgerlijke milieus afkomstig, de vrijzinnig-christelijke invloed is er groot.

De moeilijke jaren dertig

Ondanks de grote steun voor het volkspetionnement van 1930 neemt de steun voor de vredesbeweging na dit jaar geleidelijk af. In feite zet de ondergang al wat eerder in. Oorzaken zijn de economische crisis en de dreiging van het opkomende fascisme in Duitsland en Italië, alsmede de Japanse bedreiging voor Nederlands-Indië. Op de vraag hoe die dreiging te weerstaan weet de vredesbeweging aanvankelijk geen antwoord te geven. Het idee van eenzijdige ontwapening raakt in diskrediet en in 1937 schrapt de SDAP dit uit zijn programma. De antimilitaristische en pacifistische organisaties verliezen aan invloed en aanhang. Het aantal dienstweigeraars neemt af. Daarbij komt dat deze organisaties zelf verdeeld raken over de vraag of militaire verdediging toegelaten is. Dit geldt zowel voor de christelijk geïnspireerde beweging als voor de anarchisten. Kerk en Vrede verloor veel leden na München 1938. Breekpunt voor de anarchistische beweging was de Spaanse Burgeroorlog. Het ging hier om de vraag of en hoe men met de revolutionairen solidair moest zijn: totale steun, humanitaire steun of geen steun vanwege het gehanteerde geweld? Zowel bij de IAMV als bij de IAMB kwam het tot afsplitsingen hierover en beide organisaties raakten verlamd.

Hiertegenover stond de groei van de JVA. Deze was nu één van de belangrijkste en actiefste vredesorganisaties en wist ook buiten de jongeren veel mensen te bereiken. In 1934 kwam Bart de Ligt met een plan om door directe actie oorlog en oorlogsvoorbereiding tegen te gaan. Hierover ontstond een intensieve discussie binnen de JVA, die in 1937 leidde tot een concept van een antimilitaristisch veiligheidsmodel, de Pacifistische Volksverdediging (PVV).

De Duitse inval

Toen in 1940 de Duitsers binnenvielen, waren de antimilitaristen en pacifisten hier slecht op voorbereid, ondanks de ideeën over een PVV. Van een legaal georganiseerde vredesbeweging kon er onder deze omstandigheden geen sprake zijn. In hoeverre deze beweging als zodanig invloed heeft gehad op het latere verzet, al was het alleen maar door het scheppen van een bepaald klimaat, is in veel gevallen moeilijk na te gaan en is ook nauwelijks onderzocht. Het verzet ontstond veelal uit noodzaak en als reactie op de Duitse maatregelen. Wel waren veel antimilitaristen en pacifisten op een of andere manier in het verzet actief, bijvoorbeeld in de "Vrije Groepen", die hulp gaven aan onderduikers en dienstweigeraars, meededen aan het vervalsingswerk e.d. Het blad van Kerk en Vrede verscheen nog tot maart 1941, maar de organisatie werd toen wegens zijn kritiek op het antisemitisme door de bezetter ontbonden. Illegaal bleef Kerk en Vrede echter voortbestaan. Daarnaast was de groep rond het blad "De Vonk" een rechtstreekse voortzetting van de ideeën van Bart de Ligt en die binnen de JVA. Hoewel de Vonkgroep zelf geweld als middel niet aanvaardde, zag deze de militaire strijd van de geallieerden wel als noodzakelijk.

Het geweldloze verzet in Nederland nam vele vormen aan. Iedereen kent er wel voorbeelden van, zoals de illegale pers, de onderduikershulp en de Februaristaking. Minder bekend maar evenzeer belangwekkende voorbeelden zijn het Artsenverzet en de activiteiten van de zogenaamde TD-groep (TD staat voor tweede distributiestamkaart), die zich bezighield met de vervalsing van identiteitsdocumenten. Het geweldloze verzet is echter geen unieke Nederlandse gebeurtenis geweest. Hieronder wordt in een tweetal kaders een korte schets gegeven, hoe dit in Noorwegen en Denemarken plaatsvond. Ook is dit verzet niet uniek voor de Tweede Wereldoorlog (zie bijvoorbeeld mijn artikel "Geweldloos verzet na de Tweede Wereldoorlog (1945-1995)".

Literatuur

– Berendsen, Hans; Rik Weeda, "Uit de Vonk zal de vlam opwaaien", Volharding, Groningen, 1980

– Jochheim, Gernot, Antimilitaristische Aktionstheorie, soziale Revolution und soziale Verteidigung, Van Gorcum enz., Assen enz., 1977

– Roland Holst-van der Schalk, Henriëtte, Kapitaal en arbeid in Nederland, SUN, Nijmegen, 1977

– Schöll, Guus van, Dienstweigering in Nederland voor de Tweede Wereldoorlog, SVAG, Zwolle, 1981

De wapens neder. De ontwikkeling in het denken over sociale actie, geweldloze strijd en antimilitarisme in Nederland, De Haktol, Nijmegen, z.j.

– Zondergeld, Gjalt, "Geweldloos verzet in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog", ongepubliceerd

-------------------------------------------------------------------------------------

Dit artikel is op ondergeschikte punten gewijzigd ten behoeve van deze website

-------------------------------------------------------------------------------------------------------

Geweldloos verzet in Noorwegen

In Noorwegen was het geweldloze verzet tot aan de capitulatie van Duitsland de belangrijkste vorm van verzet. In een aantal opzichten komt het met dat in Nederland overeen, zoals het bestaan van een ondergrondse pers, de hulp aan onderduikers en het verzet tegen de gelijkschakeling. Vooral het succesvolle Noorse lerarenverzet tegen de nazificering van het onderwijs is bekend geworden. Eerst weigerden de leraren massaal een steunverklaring voor het nazi-bewind te ondertekenen. Toen vervolgens de lerarenorganisatie door de nazi’s werd overgenomen, ging deze ondergronds. Een poging van de regering een nieuwe organisatie op te richten (met verplicht lidmaatschap) mislukte ronduit door de weigering van de leraren mee te werken, ondanks de dreiging van ontslag. Als laatste stap ging de regering over tot de internering van leraren in kampen. Maar de regering moest zijn nederlaag al toegeven. De leraren konden weer normaal aan het werk maar velen deden dit pas na het afleggen van een verklaring, waarin ze de nazi-principes van het onderwijs afwezen.

 

 

Geweldloos verzet in Denemarken

Het geweldloze verzet in Denemarken was gecompliceerder dan dat in Nederland of Noorwegen, omdat dit land na de Duitse inval een eigen, niet collaborerende regering wist te behouden, die probeerde de bezetters zoveel mogelijk tegen te werken. Het gaat te ver om hier ook maar in grote lijnen aan te geven hoe het proces van het toenemende Duitse ingrijpen in het land tegenover de verharding van het verzet verliep. De Denen wisten echter door gebruik te maken van de onwil van de Duitsers om het zichzelf in Denemarken moeilijk te maken veel speelruimte voor zichzelf te behouden en, meest opmerkelijk, bijna alle joden te redden door ze naar Zweden te brengen.

terug (Nederlands)

back (English)