terug naar de inleiding  

terug naar de homepage

Eerste Wereldoorlog - Foto's van het Westfront 

Chemin des Dames en de Champagne

Inhoudsopgave van deze pagina
1) Chemin des Dames
2) Reims
3) Tweede Slag aan de Marne
4) Overige

1) Chemin des Dames

De Chemin des Dames is een strategisch gelegen weg over een heuvelrug ten zuiden van de stad Laon. Deze heuvelrug heeft in talloze oorlogen, vanaf de Gallische
oorlogen van Caesar tot aan de Tweede Wereldoorlog, een belangrijke rol gespeeld. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de heuvelrug vanaf september 1914 tot
vlak voor het einde van de oorlog in Duitse handen. Tijdens de hele Eerste Wereldoorlog is hier zwaar gevochten en langs de weg bevinden zich dan ook talloze
gedenktekenen en overblijfselen die hieraan herinneren. Het bekendst is de weg echter geworden door het beruchte offensief onder leiding van generaal Nivelle
in april 1917, waarbij zeer veel slachtoffers vielen en dat op niets uitliep. Uiteindelijk leidde deze nutteloze slachting tot een muiterij onder de Franse soldaten .
De foto boven toont de weg bij het westelijke beginpunt van de weg, niet ver van Fort de Malmaison.

Foto links: Zicht op het dal van de Aisne, niet ver
  van Presles-et-Boves. In de verte is de Chemin des
Dames zichtbaar.

Links zien we door de bomen Fort de Malmaison,
gelegen nabij het westelijke beginpunt van de Chemin
des Dames. Het fort maakte deel uit van de fortifica-
ties rondom Parijs. Het werd door de Duitsers ge-
bruikt om er troepen onder te brengen.

Waar mogelijk maakten de soldaten gebruik van na-
tuurlijke grotten om zich te huisvesten en te bescher-
men tegen aanvallen. De foto links toont de ingang
van zo'n grot op een heuvelrug nabij Presles-et-
Boves. Inscripties op de wanden van de grotten in
  deze heuvelrug herinneren nog aan het verblijf van
de Franse soldaten aldaar.

–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–

2) Reims

De stad Reims lag in het begin van de oorlog in de frontline en werd zwaar beschadigd, inclusief de beroemde kathedraal. Van 4 tot 13 september
1914 was de stad in Duitse handen. In die tijd werd de stad vooral beschadigd door Franse bombardementen. Ook na de herinname van de stad na
de Eerste Slag bij de Marne lag Reims nog steeds vlakbij het front en werd dan ook voortdurend door Duitse bombardementen getroffen. Het ergst
waren de bombardementen in de dagen direct na de herinname en in april 1917. Na de oorlog was 60% van de stad verwoest en hoewel deze weer
is opgebouwd, zijn de sporen van de oorlog tot vandaag zichtbaar. Ook zijn er in Reims talloze monumenten die naar de Eerste Wereldoorlog verwijzen.

Zonder meer het belangrijkste gebouw in Reims dat tijdens de Eerste Wereldoorlog beschadigd werd, was de kathedraal, waar eeuwenlang de Franse koningen gekroond werden.
Direct bij de eerste Duitse beschietingen van Reims op 4 september 1914 werd het gebouw al getroffen. Reims wordt vervolgens door de Duitsers ingenomen, maar ze moeten de
stad al na ruim een week weer verlaten. Daarna hervatten ze de beschietingen. De kathedraal wordt bijzonder zwaar getroffen op 19 september. Stro dat daarheen gebracht was om
de kathedraal als hospitaal te laten functioneren vliegt in brand en daardoor raakt ook het hele gebouw in vlammen. Door deze bombardementen en de schade die daardoor aan de
kathedraal ontstond, werd deze deel van de propagandaoorlog tegen de Duitsers: Want wie waren de Duitsers wel dat ze een dergelijk cultuurwerk vernietigden? Internationaal
waren er veel protesten. Bovendien kwam er een onderzoek vanwege de Conventie van Den Haag, omdat de regels van oorlogvoering zouden zijn overschreden: De kathedraal
diende immers tijdelijk als hospitaal en was voorzien van twee Rode-Kruisvlaggen. Ook in de jaren daarna is het af en toe goed raak. Honderden bommen treffen de kerk.
Na de oorlog is de kathedraal hersteld onder leiding van de Reimse architect Henri Deneux. Dit gebeurde vooral met Amerikaans geld (onder meer van de familie Rockefeller). Hierbij
hielp het dat de kathedraal in 1880 uitgebreid was gefotografeerd. Toch zijn op verschillende plaatsen sporen van de oorlog nog steeds te zien. De restauratie begon in 1919 en vanaf
1927 werd de kathedraal deels al weer gebruikt. Op 18 oktober 1937 werd het gebouw opnieuw als kerk ingewijd. Bovenstaande foto's laten de kathedraal zien zoals deze er van-
daag de dag (in 2019) uitziet na nog diverse latere restauraties.

Net als de meeste gebouwen en huizen in Reims werd ook het station tijdens de Eerste Wereldoorlog zwaar beschadigd. Vandaag de dag zijn in de
voorgevel nog steeds kogelgaten en andere beschadigingen te zien. Op de totaalfoto middenboven zijn ze misschien niet goed zichtbaar maar wel op
  de detailfoto's links en rechts.

Aan de Place de la République in Reims halverwege de oude binnenstad en het station staat een groot monument dat de uit deze stad afkomstige 3827 gesneuvelde soldaten en 740
burgerslachtoffers uit WO 1 herdenkt. Het is ontworpen door de architect Henri Royer in samenwerking met de beeldhouwer Paul Lefèbvre, die het aan de Denker van Rodin herin-
nerende bronzen beeld in het midden heeft gemaakt. Dit beeld verwijst naar de "Pensée accomplissant son effort de résurrection", vrij vertaald naar het voornemen (pensée - gedachte,
idee) de stad te doen herrijzen. De teksten op het monument verwijzen niet alleen naar de slachtoffers van de oorlog, maar hebben ook een pedagogisch element: Opdat de toekomstige
generaties weten wat er gebeurd is en zich dit blijven herinneren. Dit wordt ook uitgedrukt in de reliëfs. Anders dan veel andere herdenkingsmonumenten voor de Eerste Wereldoor-
log staan er geen lijsten met namen van slachtoffers op geschreven, maar is zo'n lijst ingemetseld in een van de stenen. Het monument is op 1 juni 1930 ingewijd door André Maginot,
minister van oorlog, Paul Marchandeau, burgemeester van Reims en parlementslid, en de aartsbisschop van Reims kardinaal Luçon, in aanwezigheid van maarschalk Pétain. Het mo-
nument is bij bombardementen in mei en juni 1944 beschadigd en bij het herstel later zijn de jaartallen "1914" en "1918" ervan verwijderd.

Achter het grote monument voor de oorlogsslachtoffers in Reims bevindt zich de Cimetière du Nord, de Noorderbegraafplaats. Op dit bijzondere kerkhof uit 1787, waar veel bekende
  Fransen liggen, zijn naast burgers ook veel militairen begraven, waaronder militairen die in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld zijn. Linksachter bevindt zich een speciale afdeling voor
306 slachtoffers van deze oorlog, zowel burgers als militairen, met daarbij een herdenkingsmonument (foto's linksboven en middenboven). Ook elders, meer naar het midden van de be-
graafplaats in een andere sectie, liggen - tussen de graven van burgers - gesneuvelde militairen uit de Eerste (en ook uit de Tweede) Wereldoorlog (foto rechtsboven). De begraafplaats
is tijdens WO1 zwaar beschadigd en veel oude graven dragen daar nog de sporen van.

In het Parc de Champagne in Reims staat een heel bijzonder monument: Het Monument voor de Helden van het Zwarte Leger. Het oor-
spronkelijke monument uit 1924 is een hommage aan de Senegaleze soldaten in het Franse leger in de Eerste Wereldoorlog. Nadat er in
2013 een nieuw monument werd neergezet, werd dit gewijd aan alle zwarte soldaten die tussen 1857 en 1965 in dienst van Frankrijk
voor Frankrijk gevochten hebben.
Na de Eerste Wereldoorlog werd er besloten ter ere van de Senegaleze soldaten zowel in Reims als tegelijk ook in Bamako, nu de hoofd-
stad van Mali en destijds de hoofdstad van Frans Soedan, een herdenkingsmonument te plaatsen. Reims werd gekozen vanwege de bijzon-
dere bijdrage van de Senegalezen aan de verdediging van de stad in 1918. Het monument was van de hand van de beeldhouwer Paul
Moreau-Vauthier en de architect Auguste Bluysen. Het werd op 3 januari 1924 in Bamako ingewijd en de Franse versie op 13 juli van dat
  jaar. Het Reimse monument stond waar de Boulevard Henry Vasnier en de Avenue du Général Vasnier samenkomen.In september 1940
werd het echter door de Duitse bezetter uit rassenhaat vernietigd. Na enige discussie werd er op 21 september 1958 een nieuw monument
geplaatst: Een stèle gewijd aan de koloniale troepen. Op 6 oktober 1963 werd op dezelfde plaats ter vervanging een nieuw monument inge-
wijd: Twee obelisken op een rechthoekig stenen blok, ontworpen door Jean-Marc Maya-Perez. Een opschrift verwees naar de Afrikaanse
soldaten die bij de verdediging van de stad gesneuveld waren en naar de vernietiging van het eerste monument door de bezetter in 1940. Naar
aanleiding van de 100-jarige herdenking van WO1 werd besloten het oorspronkelijke monument uit 1924 te reconstrueren met tevens een
verwijzing naar het monument van 1963. Het resultaat is te zien op de foto linksboven. Dit monument werd in het Parc de Champagne ge-
plaatst. Het is een ontwerp van Jean-François Gavoty. De beeldengroep is een kopie van de beeldengroep van het monument in Bamako
(en dus ook van het eerste monument in Reims). Het voetstuk bevat reliëfs gemaakt door leerlingen van de kunstacademies in Reims en
Bamako. De foto rechts toont de toelichtende tekst die op de linker foto links op het monument te zien is.

In het plantsoen midden op de Place Aristide Briand in Reims staat een
monument voor alle Franse en geallieerde verpleegsters die in de Eerste
Wereldoorlog zijn omgekomen. Het kwam tot stand op initiatief van de
schrijfster en feministe Juliette Adam, die op het eind van WO1 hiervoor
een internationale inzamelingsactie organiseerde. Reims werd als plaats
voor dit monument gekozen, omdat het aantal slachtoffers hier goter was
dan in iedere andere Franse stad.
Het monument is van de hand van  Charles Girault (architect) en Denys
Puech (beeldhouwer). Het bevat aan één kant een reliëf met twee ver-
pleegsters die een gewonde verzorgen (foto links). Aan de andere kant
zien we een engel die rozen zaait (foto rechts). Op de achthoekige sok-
kel van de zuil worden de deelnemende landen aan het conflict genoemd.
Het monument werd op 11 november 1924 ingewijd. Direct na de
Tweede Wereldoorlog is een plaquette aangebracht ter herinnering aan
de verpleegsters en brancadiers die bij het bombardement van Reims
op 30 mei 1944 omgekomen waren.

In het plantsoen van de Place Jean-Jacques Rousseau, tegenover het
monument voor de in WO2 omgekomen soldaten van het 132e infan-
terieregiment, ligt bijgaande gedenksteen met plaquette voor het 2e
escadron van het 16e regiment dragonders uit Reims.Aan het begin
van de oorlog stond het escadron onder leiding van luitenant Gaston
de Gironde. In de nacht van 9 op 10 september voerde het op het
plateau van Soisson nabij Mortefontaine een verkenningsopdracht uit.
Van een boer kreeg het te horen dat er een kilometer verderop acht
Duitse vliegtuigen aan de grond stonden. Hierop besloot lt De Gironde
met zijn eenheid van 40 cavalleristen deze aan te vallen. De vliegtuigen
worden vernietigd, maar De Gironde raakt zwaar gewond. Door twee
manschappen wordt hij naar een Duitse hulppost gebracht, waar hij
overlijdt. Om deze gebeurtenis te herdenken is op 11 november 2018
de plaquette geplaatst door burgemeester van Reims Adeline Hazan.
Op de plaats van de gebeurtenis staat ook een monument.

–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–

3) Tweede Slag aan de Marne

In de zomer van 1918 vond ten westen van Reims de Tweede Slag aan de Marne plaats. Deze begon op 27 mei met een Duits offensief
en zou tot 6 augustus duren. Het bleek een keerpunt in de Eerste Wereldoorlog te zijn. De Duitse aanval, die zich vanaf de Chemin des
Dames inzette had aanvankelijk succes en de geallieerden werden teruggedrongen tot op 70 km van Parijs. Na tien dagen stokte de Duit-
se aanval echter. Op 15 juli zette het Duitse leger een nieuwe aanval in (en sommigen laten de Tweede Slag aan de Marne hier beginnen)
maar deze werd al na twee dagen gestopt. Op 18 juli gingen de geallieerden over tot de tegenaanval met onder meer tanks. Hoewel deze
slag op 6 augustus als beëindigd zou worden beschouwd, was het front nu in beweging gekomen en dit zou zo blijven. Vanaf de geallieer-
de tegenaanval werden de Duitsers geleidelijk teruggedrongen, eerst in de Marnevallei dan ook elders tot de wapenstilstand van 11 no-
vember 1918.


Op de Butte de Chalmont in de gemeente Oulchy-le-Château staat het "Nationale Monument voor de Tweede Overwinning aan de Marne". Het
bestaat uit een beeld van een 5 meter hoge vrouwenfiguur op de voorgrond met op de achtergrond bovenop de heuvel een 8 meter hoge beelden-
groep. Links en rechts aan de langslopende weg staan twee grote stenen blokken met tekst (zie foto's boven). Het monument is van de hand van
de beeldhouwer Paul Landowski, een Fransman van Poolse afkomst die tijdens WO1 zelf ook in het Franse leger heeft gediend. De vrouwenfi-
guur staat voor Frankrijk. Ze draagt slechts een verdedigingswapen, een schild, met hierop afgebeeld Liberté, Égalité en Fraternité. Vier korte trap-
pen, die staan voor vier oorlogsjaren, verbinden de vrouwenfiguur met de beeldengroep  Deze laatste bestaat uit acht personen: zeven soldaten in
uniform van verschillende eenheden staan rondom een naakte jongeman: De Fantômes (geesten). Ze houden de ogen gesloten, zoekend naar hun
omgekomen en verdwenen kameraden. De twee beeldengroepen zijn gemaakt van rood graniet en staan 250 meter van elkaar.Een tekst op de
stenen links en rechts geeft een summiere beschrijving van de slag en een opsomming van de eenheden die deelnamen. Er staat tevens dat de Butte
de Chalmont op 25-26 juli veroverd werd.
In november 1919 krijgt Landowski de opdracht voor een model voor een herdenkingsmonument, dat hij eerst de naam "Les Morts" (De Doden)
geeft. In 1923 krijgt het een eremedaille op de Salon des Artistes Français in Parijs. Er wordt een plaats voor het monument gezocht en - mede op
advies van oudstrijders - wordt er gekozen voor de Butte de Chalmont, omdat juist hier het verzet van de Duitsers wordt gebroken. Landowski
krijgt dan in 1926 de officiĕle opdracht het monument uit te voeren. Op 21 juli 1935 word het door de Franse president Albert Lebrun ingewijd.

Na het mislukte Duitse offensief vanaf eind mei 1918 en vervolgens opnieuw op 15 juli, gingen de geallieerden op 18 juli in de tegenaanval (zie de inleiding bij deze sectie 3). Deze tegenaanval werd
door de Franse troepen onder generaal Mangin ingezet ten noorden van Villers-Cotterêts vanuit het Woud van Retz. Om een goed overzicht over het slagveld te hebben bouwde de genie daar een
30 meter hoge toren die boven de bomen uitstak. Vanhieruit leidde Mangin de aanval. Bij een storm in oktober 1924 werd de toren zwaar beschadigd en de restanten werden afgevoerd. Op de plek
waar deze stond, is op 14 november 1926 een gedenksteen geplaatst (foto links). In 1941, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd de inscriptie op de steen door de Duitsers beschadigd, maar deze
is na WO2 weer hersteld. Je komt bij de gedenksteen door tegenover het monument "Passant-arrête-toi" aan de D81de zandweg in te slaan. In 2017 is een tiental meters vanaf de plaats van de vroe-
gere toren een nieuwe toren neergezet. Deze is officieel op 18 juli 2018 ingewijd, dus exact honderd jaar na het offensief van Mangin. De foto in het midden laat het uitzicht zien vanaf de voet van deze
nieuwe toren over het voormalige gevechtsterrein. Wanneer je vanaf de D81 de zandweg naar de toren volgt, passeer je ongeveer halverwege een gedenksteen voor Henri de Chasseval (foto rechts).
De Chasseval was luitenant bij het 11e regiment dragonders en is op deze plek op 12 juni 1918 gesneuveld. Hij was toen 25 jaar oud.

Ten oosten van Villers-Cotterêts ligt het dorp Longpont, waar zich een
grote abdij bevindt. In de Franse Revolutie werd de abdjkerk deels af-
gebroken. In 1916 werd de ruïne (foto links) door een theatergroep van
het Franse leger gebruikt om de soldaten ontspanning te geven. In juni
en juli 1918 lag Longpont in de frontlijn en werd er zwaar gevochten. In
de muren van de kerk zijn de kogelgaten nog te zien (foto rechts).


Verlaat je Longpont via de D2 in westelijke richting, dan kom je al snel bij een voor Nederlanders bijzonder monument:
Het mausoleum van Joost van Vollenhoven (zie de twee foto's hierboven). Het staat tegenover het boswachtershuis op
de hoek van de D2 en de laan Les Têtes de Chavigny. Joost van Vollenhoven is op 21 juli 1877 in Rotterdam geboren,
brengt zijn jeugd in Algerije door en wordt tot Fransman genaturaliseerd. Eerst volgt hij een militaire loopbaan, dan een
burgerlijke carrière. Na een functie als secretaris-generaal van het Franse ministerie van koloniën wordt hij onder meer
gouverneur-generaal van Guinee en Senegal en daarna van Indo-China. In 1915 neemt hij weer dienst als sergeant bij
de koloniale troepen, raakt gewond en wordt gouverneur-generaal van Frans West-Afrika. In 1917 verzet hij zich tegen
de manier waarop de koloniale troepen worden gerecruteerd. Omdat dit geen effect heeft, legt hij in januari 1918 zijn
functie neer en neemt weer dienst bij de koloniale troepen, nu in de rang van kapitein. Op 19 juli 1918 raakt hij gewond
bij Parcy-et-Tigny en sterft een dag later in de medische-hulppost in Montgobert. Van Vollenhoven wordt eerst in het
Woud van Retz begraven. Het mausoleum waar hij nu begraven ligt, is op 6 november 1938 door de Franse president
Albert Lebrun en de minister van koloniën Georges Mandel ingewijd. De sculpturen op het het monument zijn van Anna
Quinquaud, in samenwerking met de architect Pierre Legendre, haar zwager. Ze geven episoden uit Van Vollenhovens
leven weer, naast een afbeelding van zijn profiel. Het monument is in 1941 door de Duitsers zwaar beschadigd en in
1954 gerestaureerd.


100 m verderop langs de D2, in de tuin van het boswachters-
huis, ligt nog een soldatengraf. Het is van Gratien Hyppolyte
Vanhout, afkomstig uit Bourg in het departement Ain, geboren
in 1898. Hij diende als 2e kanonnier bij het 407e regiment
zware artillerie. Hij werd op 17 augustus 1918 in Montgobert
gedood door een onontplofte Duitse granaat die later alsnog
explodeerde.

Op de gemeentelijke begraafplaats naast de kerk in Coeuvres-
et-Valsery bevinden zich de graven van vijf Schotse militairen,
die in de Tweede Slag aan de Marne omgekomen zijn. (foto
links) Ze zijn allen gesneuveld op 21-7-1918 bij de bevrijding
van het dorp.
Er schuin tegenover bevindt zich het nogal verwaarloosde graf
van twee omgekomen Franse soldaten (foto rechts). De namen
zijn onleesbaar, maar voor zover ik heb kunnen nagaan gaat het
om de broers Louis Alfred en Ernest Durand. Louis Alfred (ge-
boren in 1894 in Vassens (Aisne) is overleden op 29 mei 1915
bij Hersin Coupigny (Pas-de-Calais) en Ernest op 13 septem-
ber 1917 (verdere gegevens onbekend).

Komend vanuit Coeuvres-et-Valsery over de D17 passeer je
bij de afslag naar Saint-Pierre-Aigle een monument voor het
Franse 418e infanterieregiment. Het herdenkt dat dit dorp
door het regiment na zware strijd tussen 28 juni en 2 juli her-
overd werd, zoals de plaquette op het monument ons vertelt.

Ten noordoosten van Chaudun bij een zijweg van de D172
staat het Monument van de Overwinning in 1918, ook wel
het Monument van 18 juli 1918 genoemd. Om de doodge-
lopen aanval van mei en juni in deze streek weer op gang te
brengen zetten het Duitse leger op 15 juli 1918 een nieuwe
aanval in. Deze werd echter na twee dagen al gestopt en op
18 juli zetten de geallieerden de tegenaanval in. Deze bleek
het slothoofdstuk van de Eerste Wereldoorlog in te leiden.
Het monument gedenkt dit en vermeldt de namen van alle
eenheden, Franse zowel als niet-Franse, die aan het offen-
sief van 18 juli meegedaan hebben. Het monument is op 20
juli 1930 in aanwezigheid van maarschalk Pétain ingewijd.
Het is een werk van Paul Moreau-Vauthier, geassisteerd
door archtiect Bouldoire. Eerst stond het aan de RN2, een
eindje verderop, maar het is in 2017 opgeknapt en op zijn
huidige plaats neergezet, die beter toegankelijk is.

Louis Jaurès, geboren 27 augustus 1989, was de zoon  van de
Franse socialistische politicus Jean Jaurès, die op 31 juli 1914
vermoord werd. Eind 1915, nog maar 17 jaar oud, gaat Louis
vrijwillig in het Franse leger. In mei en juni 1918 neemt hij als
soldaat bij het 10e bataljon jagers te voet deel aan acties op
het plateau van Chaudun om de Duitse aanval te stoppen. Hij
raakt daarbij op 3 juni gewond en overlijdt enige uren later in
Penant. Ter herinnering aan Louis Jaurès is in een plantsoen
aan de noordkant van Chaudun op de hoek van de D172 en
de D173 een borstbeeld van hem geplaatst. (foto links)
Bij deze gevechten werden op 31 mei voor het eerst lichte
tanks van het type Renault FT ingezet. Ze waren onderge-
bracht in het 501e regiment gevechtstanks. Een plaquette op
de hoek van het huis tegenover het plantsoen herdenkt dit feit.
(foto rechts)

Nabij Buzancy, waar de D1240 op de D1 uitkomt
staat het Monument van de 1e Amerikaanse Divisie.
Het herdenkt de inzet ervan bij de gealliëerde tegen-
aanval van 18 juli. Hierbij drong de divisie 11 km de
Duitse linies binnen tot aan Buzancy en Berzy-le-Sec.
Uitgeput werd de eenheid in de nacht van 22 op 23
juli afgelost door de 15e Schotse divisie. Bij de aan-
val verloren de Amerikanen 2213 man aan doden en
6347 aan gewonden. Plaquettes op het monument,
dat in 1919 werd geplaatst, gedenken dit feit en ge-
ven de namen van de gesneuvelden. Alle monumen-
ten voor de 1e Amerikaanse Divisie hebben ditzelfde
ontwerp en ze staan ook allemaal in Frankrijk.

Ten zuidwesten van Villemontoire waar de D804 op de D1280
uitkomt staat een monument voor het Franse 67e infanterieregi-
ment. Het herinnert aan de inname van het dorp door deze leger-
eenheid op 25 juli 1918. Om precies te zijn werd dit door het 2e
bataljon van het 67e RI gedaan.
Het monument werd op 21 september 1938 ingewijd. Op 1 no-
vember 1940 werd het door de Duitsers vernield. Na de Tweede
Wereldoorlog werd het weer hersteld en aan de voet werd een
plaquette geplaatst die van de vernieling melding maakt. Het mo-
nument zelf toont een reliëf van soldaten in de aanval. Eronder
staat een beschrijving van de de inname van Villemontoire. Links
en rechts worden de belangrijkste wapenfeiten in het bestaan van
het 67e RI genoemd.

Ten zuidwesten van Villemontoire en wel ten zuiden van de D804 tegenover het monument voor het Franse 67e infanterieregiment (zie boven) ligt het La Raperie British Cemetery. Hier zijn 612 soldaten begraven
van de 15e (Schotse) divisie en van de 34e divisie die tussen 23 juli en 2 augustus 1918 in deze streek gevallen zijn. De begraafplaats is na de wapenstilstand tot stand gekomen door hierheen de lichamen over te
brengen van soldaten die elders in de omgeving begraven waren. Ruim honderd van de stoffelijke overschotten zijn niet geïdentificeerd.

Aan de D83 in de gemeente Parcy-et-Tigny ligt een Duitse begraafplaats met dezelfde naam. De begraafplaats is in 1921 ingericht om er de stof-
felijke resten van Duitse soldaten van 150 individuele graven en kleine begraafplaatsen in de omgeving samen te brengen. In 1923 en 1925 is de
begraafplaats verder uitgebreid. In totaal zijn er 4256 soldaten begraven. Hiervan liggen er 2132 in individuele graven voorzien van zwarte metalen
kruizen (waarvan 70 lichamen niet geïdentificeerd zijn). 2124 soldaten liggen in twee massagraven bij het monument dat we op de foto linksboven
op de achtergrond zien (zie ook foto rechtsboven). Van hen zijn er 1712 onbekend gebleven. Het merendeel van de soldaten is in 1918 gesneuveld
tussen het begin van het grote Duitse offensief op 21 maart en het eind van de oorlog. Enkele zijn omgekomen in het begin van de oorlog in 1914,
in februari 1915 en bij de gevechten op de Chemin des Dames in 1917. Ook zijn er enkele overleden krijgsgevangenen begraven. Van drie solda-
ten is de overlijdensdatum onbekend. Het monument achter op de begraafplaats heeft het eenvoudige opschrift "1914 Hier rusten Duitse soldaten
1918", zowel in het Duits als in het Frans.

Niet ver ten noorden van de Butte de Chalmont, in Grand-Rozoy,
staat een monument voor twee omgekomen Franse vliegeniers:
Vlieger korporaal Charles Ernest Adolphe Cabouillet en waarne-
mer luitenant Albert Henri Emille Rapilly (foto links). Hun vliegtuig
stortte op 29 juli 1918 een kilometer verderop in het veld neer.
Ook de jongste zoon Quentin van de voormalige Amerikaanse
president Theodore Roosevelt was vlieger. Hij diende vrijwillig in
het Amerikaanse leger bij de luchtmacht. Op 14 juli 1918 wordt
hij  in een luchtgevecht geraakt en stort met zijn vliegtuig neer bij
Chamery. Hij wordt er door de Duitsers met militaire eer begra-
ven. Ter nagedachtenis aan Quentin en om de bevolking te bedan-
ken voor het onderhouden van het graf, laat de familie in Chamery
een fontein plaatsen (foto rechts). In 1955 is Quentins lichaam
naar de Amerikaanse begraafplaats van Omaha Beach in Nor-
mandiĕ overgebracht, waar hij naast zijn oudere broer Theodore
jr ligt die daar in juli 1944 overleden is.

Het Oise Aisne American Cemetery in Seringes-et-Nesles ten oosten van Fère-en-Tardenois aan de D2 is na de begraafplaats bij
Romagne-sous-Monfaucon (zie de pagina Argonne en omgeving ) de grootste Amerikaanse begraafplaats voor de Eerste Wereldoorlog
in Europa. Op deze begraafplaats liggen voornamelijk soldaten begraven die in deze omgeving gesneuveld zijn of ten noorden van de
Aisne, in totaal 6012 soldaten, waarvan 597 niet geïdentificeerd. Later zijn er ook lichamen van soldaten die elders begraven waren
hierheen overgebracht. De namen van 241 soldaten die nooit teruggevonden zijn staan op de muren van de kapel vermeld (enkele van
hen zijn later alsnog teruggevonden; hun naam is aangegeven met een bronzen rosette). De begraafplaats werd al op 2 augustus 1918,
dus nog tijdens de oorlog, als tijdelijke begraafplaats ingericht. In 1921 bepaalde het Amerikaanse Congres dat de begraafplaats per-
manent zou zijn.
Op de foto linksboven zien we het dienstengebouw en de parkeerplaats aan de zuidkant van de D2. De begraafplaats zelf ligt aan de
noordkant. De foto middenboven laat het toegangshek zien. Vandaar loopt een brede laan met links en rechts de grafvelden naar een
reusachtig monument (foto's midden rechts en hier links). In het midden van de halve dirkel die door het monument omsloten wordt be-
vindt zich een tombe. Rechts in het monument is de kapel en links een klein museum. De overige foto's geven een impressie van de ver-
derdere inrichting van deze 14,8 ha grote begraafplaats.


Aan de D3 van Fère-en-Tardenois naar Le Charmel, vlak voordat de weg de A4 kruist,
staat het Monument voor de 42e Amerikaanse divisie, de Rainbow Division. Het is één
van de indrukwekkendste monumenten van het Westfront: Een soldaat die zijn gedode
kameraad wegdraagt (foto links). Het is een schepping van de Londense kunstenaar John
Butler. Op de achtergrond ligt de ruïne van de boerderij La Croix Rouge. Op deze plek is
op 25 en 26 juli 1918 zwaar gevochten. Doel van de Amerikanen was de boerderij in te
nemen waar de Duitsers zich verschanst hadden. Bij de gevechten leden de Amerikanen
zware verliezen maar uiteindelijk slaagden ze in hun opzet maar wel ten koste van 1410
doden en 5049 gewonden aan hun zijde. In totaal verloor de 42 Amerikaanse divisie
14.683 doden tijdens WO1.
Het monument kwam tot stand door een gift van de zoon van sergeant William Johnson
Frazier, die hier gewond raakte. Het monument werd op 12 november 2011 ingehuldigd.
Op 28 augustus 2017 is voor het Union Station in Montgomery in Alabama in de VS een
kopie van het monument geplaatst, omdat op de dag af honderd jaar daarvoor vanaf dit
station het 167e regiment infanterie van de Rainbow Division naar Frankrijk vertrok. Op
28 augustus 2018, honderd jaar na de gevechten rond de boerderij is ter herdenking bij
de ruïne een amberboom geplaatst als hommage aan de Rainbow Division.(foto rechts).

Ten noorden van Ronchères aan de weg naar Cierges staat een
monument dat de verovering van het Bois de Grimpettes op 29-
31 juli 1918 door Amerikaanse troepen herdenkt. Het staat daar
waar de soldaten zich voor de aanval verzamelden, nadat ze op
28 juli Ronchères veroverd hadden. Het monument vermeldt de
eenheden die aan de gevechten deelnamen (foto rechts).
Bij de verovering van het bos en de voorgaande gevechten tussen
27 en 31 juli vielen bij de Amerikanen ongeveer 1400 doden. Het
monument op de foto links, dat bestaat uit een smeedijzeren con-
structie van drie soldaten die een vredesduif loslaten, herdenkt ze.

Een kleine kilometer ten oosten van Chambrecy aan de noordkant van
de D980 ligt de Chambrecy British Cemetery. De begraafplaats is di-
rect na de Wapenstilstand aangelegd door hierheen de lichamen van
gesneuvelde soldaten van omliggende begraafplaatsen te brengen. Er
liggen 436 doden, waarvan 245 geïdentificeerd en 191 niet geïdentifi-
ceerd. Eén soldaat is Indiër, de overige zijn voor zover bekend Britten.
De meeesten zijn gesneuveld in de periode juli-augustus 1918 en be-
hoorden tot de 19e (West) divisie en de 51e divisie (Hooglanders).
Verder liggen er soldaten van de 9e divisie, die in de periode mei-juni
gevallen zijn. De begraafplaats heeft een oppervlakte van 1.579 m2.
Er staat een speciaal gedenkteken voor een soldaat die op Franse be-
graafplaats bij het Courlandon hospitaal begraven was, maar later niet
is teruggevonden.

Volgen we de D980 vanaf Chambrecy dan passeren we eerst een Britse militaire begraafplaats (zie boven) en komen even daarna bij een andere, veel groter militair
kerkhof uit WO1: De Italiaanse militaire begraafplaats van Bligny. Het is het grootste Italiaanse oorlogskerkhof in Frankrijk. De plaats bovenop een heuvel, 17 km
ten zuidwesten van Reims, is gekozen vanwege zijn strategische betekenis tijdens de gevechten van 1915. Er zijn 3040 Italiaanse soldaten in individuele graven be-
graven en 400 soldaten in een massagraf. Verder liggen er 400 Italiaanse arbeiders, omgekomen tijdens werkzaamheden langs het front.
Tijdens de Duitse offensieven in het voorjaar van 1918 had Frankrijk Italië om hulp gevraagd. Dit land stuurde daarop 41.000 soldaten. De meeste gesneuvelden op
deze begraafplaats zijn van dit 2e Italiaanse legerkorps afkomstig. In de periode 1914-1915 hadden er echter ook al Italiaanse soldaten in Frankrijk gevochten en
wel in de Argonne. Het ging om vrijwilligers, het zgn. Garibaldi Legioen. De gevallen soldaten van dit legioen waren eerst op de begraafplaats van Lachalade (Meuse)
begraven maar zijn vanaf 1919 naar Bligny overgebracht (een aantal is in Italië herbegraven).
De begraafplaats is 3,5 ha groot. Aan de noordkant van de D980 ligt een herdenkingspark, aan de zuidkant de begraafplaats zelf (foto linksboven). Net na de ingang
staat een monument voor het Garibaldo Legioen (foto middenboven). Een lange laan met cipressen deelt de begraafplaats in tweeën. Halverwege staat een tempel.ge-
wijd aan alle 5.000 Italiaanse soldaten die in Frankrijk tijdens WO1 omgekomen zijn (foto links). Naast de tempel staat een stenen tafel met daarop een bronzen her-
denkingsboek. De tekst in het boek verwijst naar de deelname van het 2e Italiaanse legerkorps aan de gevechten in Frankrijk (foto rechtsonder). In deze tekst is ove-
rigens sprake van ruim 9.000 in Frankrijk gesneuvelde Italiaanse soldaten, in plaats van 5.000, zoals in de timpaan van de tempel vermeld . De overige foto's geven
een indruk van de grafvelden.

–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–

4) Overige

Bij de ingang van het Musée de la Grande Guerre in Meaux staat
een standbeeld van maarschalk Gallieni. Joseph Simon Gallieni
(1849-1916) was na een koloniale carrière in april 1914 met pen-
sioen gegaan. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trad
hij echter weer in actieve dienst en werd hij tot militair gouverneur
van Parijs benoemd. Van oktober 1915 tot maart 1916 is hij mi-
nister van defensie. Twee maanden na zijn aftreden overlijdt hij.
Als gouverneur van Parijs heeft hij een belangrijke rol gespeeld bij
de verdediging van de stad tijdens de Eerste Slag aan de Marne.
Hij was ook degene die Parijse taxis vorderde om troepen naar
het front te sturen. In 1921 werd Gallieni postuum tot maarschalk
bevorderd.
Het standbeeld stond eerst nabij Trilbardou op de plaats waar ge-
neraal Gallieni en generaal Manoury een observatiepost hadden.
Na een poging tot diefstal werd het naar de huidige plaats ver-
plaatst. Dit bronzen standbeeld van Eugène Bénet uit 1920 was
eerst voor Parijs bedoeld, dat het echter te bescheiden vond en
in 1926 een veel groter standbeeld in de stad plaatste.

In een park bij het Musée de la Grande Guerre in Meaux staat het zgn. "Amerikaanse Monument".  Het is een geschenk van het Ame-
rikaanse volk ter herdenking van de soldaten die in de Eerste Slag aan de Marne gesneuveld zijn. Het monument is op 11 september
1932 onthuld in aanwezigheid van de Franse president Albert Lebrun. De eigenlijke titel van het 26 m hoge monument is "Liberty in
Distress" (Diepbedroefde Vrijheid) en het is van de hand van de Amerikaanse beeldhouwer Frederick William MacMonnies. Een 3 m
hoge bronzen versie van het beeld is in 1922 in Atlantic City in New Jersey geplaatst. Het monument in Meaux is in 2011 gerestaureerd.
Het is gemaakt van 220 blokken natuursteen uit Lotharingen. Het beeld is een allogorie van de vrijheid die haar dode zoon draagt. Aan
de achterkant zien we een soortgelijke scène. Op de sokkel van het beeld staat de beroemde dagorder van Joffre om in deze uiterst be-
langrijke slag geen centimeter te wijken (foto links). Boven op de foto's links en midden zien we het monument van de voorkant en rechts
van de achterkant.


In het departement Seine-et-Marne, tussen Lizy-sur-Ourcq en Co-
cherel, bevindt zich Château de La Trousse, waarvan de geschiedenis
teruggaat tot 1630 (foto links). Tijdens de Eerste Wereldoorlog was
het in het bezit van de grafelijke familie Baudon de Mony-Colchen.
Op het eind van de oorlog waren er Amerikaanse troepen gelegerd.
Ze namen deel aan de slagen van Château Thierry en Belleau Wood.
Direct na de oorlog heeft de graaf uit dankbaarheid dat zijn zoon die
als soldaat had overleefd tegenover het begin van de oprijlaan aan de
D401 een monument opgericht (foto rechts).

Graven van lokale gevallenen  op
de gemeentelijke begraafplaatsen
van Lizy-sur-Ourcq (foto links) en
Mary-sur-Marne (foto rechts).

Varreddes was tijdens de Eerste Slag aan de Marne een
aantal dagen in handen van de Duitsers. Op 7 september
1914 arresteerden ze 18 achtergebleven inwoners als gij-
zelaar. De meesten van hen waren bejaard. Onder hen
was ook de 76-jarige pastoor Fossin. Hij wordt er ten on-
rechte van beschuldigd met de kerkklok signalen aan het
Franse leger te hebben gegeven en is daarom gefusilleerd
in Lizy-sur-Ourcq. De overigen werden in gevangenschap
naar Duitsland gebracht. Sommigen werden vermoord,
omdat ze tijdens de tocht niet konden meekomen, anderen
zijn in gevangenschap in Duitsland overleden. In totaal zijn
er slechts acht van de gijzelaars teruggekeerd. De slachtof-
fers worden herdacht met een plaquette op de mairie van
Varreddes. De plaquette (foto links) geeft eerst de namen
van de soldaten uit Varreddes die omgekomen zijn tijdens
WO1. Daaronder staan de namen van de tien omgekomen
gijzelaars. Helemaal onderaan staan slachtoffers uit WO2.


–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–

Links naar mijn andere foto's van de Eerste Wereldoorlog:

Het Westfront1857 en 1965

Het Oostfront

Het Oostenrijks-Italiaanse Front

Buiten de fronten

terug naar de inleiding  

terug naar de homepage