terug naar de inleiding  

terug
naar de homepage

Eerste Wereldoorlog - Foto's van het Westfront

De Eerste Slag aan de Marne


Ten noordoosten van Parijs vond van 5 tot 12 september 1914 de Eerste Slag aan
de Marne plaats tussen het Duitse en Franse leger. Deze werd door de Fransen ge-
wonnen. Hierdoor werd de Duitse inval gestopt en het Duitse opperbevel zag geen
andere mogelijkheid dan de beste posities in te nemen en zich daar in te graven. Dit
betekende het einde van de bewegingsoorlog en het begin van de loopgravenoorlog.
Pas in de loop van 1918 zou (afgezien van marginale veranderingen) het front weer in
beweging komen, waarna de Duitse nederlaag volgde.

Bij het kerkje van Mondement-Montgivroux, bovenop een 209 meter hoge heuvel, staat het reusachtige Nationale Monument van de Overwining aan de Marne. (foto's links- en middenboven) Het monument is dan nog
eens 35,5 m. hoog.  Het staat op een plek die door maarschalk Joffre zelf gekozen is. Je hebt er een ruim overzicht over de moerassen van St. Gond, een strategisch deel van het slagveld tijdens de Eerste Slag aan de
Marne. (foto's links- en middenonder) Dit is dan ook de reden dat Joffre juist deze plaats heeft gekozen. De beslissing zo'n monument op een strategisch punt te plaatsen is in 1920 door het parlement genomen. Pas in
1929 werd er een ontwerpwedstrijd uitgeschreven, maar uiteindelijk werd geen van de ingediende schetsen gekozen. Vervolgens kreeg de architect Paul Bigot de opdracht, die in samenwerking met de beeldhouwer
Henri Bouchard een ontwerp maakte. Deze laatste had ook de leiding bij de feitelijke realisatie ervan, die in 1931 begon. Het monument symboliseert het tegenhouden van de Duitse legers. Het is gemaakt van gewapend
beton en heeft de kleur van zandsteen uit de Vogezen als verwijzing naar het opnieuw inlijven van de delen van de Elzas en Lotharingen die in 1871 bij Duitsland gekomen waren. In 1933 was het monument in grote lijnen
klaar maar het duurde door gebrek aan fondsen nog tot 1938 voordat ook alle sculpturen aangebracht waren. Het zou dan op 19 september 1939 ingewijd worden. De oorlogsverklaring van Frankrijk aan Duitsland op
3 september van dat jaar verhinderde dit echter en uiteindelijk vond de ceremonie pas op 23 september 1951 plaats. Op het monument zijn sculpturen en teksten aangebracht waaronder de beroemde dagorder van (toen)
generaal Joffre vóór de slag begon om tot het uiterste stand te houden. De foto rechtsboven toont het reliëf op de voet van het monumentaan de noordkant : Een soldaat met links en rechts afbeeldingen van de generaals
van de deelnemende legers in de volgorde van de plaats van hun legers aan het front (naast de soldaat, groter afgebeeld, generaal Joffre). Op de begraafplaats bij het kerkje liggen een aantal in de slag gesneuvelde militairen
begraven. Plaquettes op de muur van het kerkhof verwijzen naar enkele markante daden van het Franse 77e infanterieregiment en van de Marokkaanse divisie. (foto rechtsonder)


Terwijl Franse en Britse eenheden zich verzamelden voor een ultieme verdediging van Parijs, werden zich terugtrekkende eenheden gedwongen slag te leveren met hen
achtervolgende Duitse troepen. Een van deze Britse eenheden was de Guards, de 4e Britse Brigade. Na de Slag bij Bergen op 23 augustus 1914 waren de Guards op
de terugtocht, wat met veel ontberingen gepaard ging. Op 31 augustus waren de soldaten in het Forêt de Retz bij Villers-Cotterêts aangekomen. Omdat er voor de vol-
gende dag een aanval van het Duitse leger verwacht werd, kregen ze de opdracht een verdedigende positie in te nemen om zo de aftocht van de 2e Divisie te dekken. De
volgende ochtend vielen de Duitsers inderdaad aan. Er volgende harde gevechten in moeilijke omstandigheden, waarbij delen van de Guards
geïsoleerd raakten. De 2e
Divisie slaagde er weliswaar in zich terug te trekken maar van de Guards sneuvelden meer dan 300 man. Velen van hen werden door de bevolking van
Villers-Cotterêts
begraven. Toen het bos twee maanden later door Britse troepen heroverd werd, hebben de Irish Guards er een begraafplaats ingericht voor de lichamen die ze konden
terugvinden. De begraafplaats ligt in een bocht van de huidige D81. Er liggen 98 soldaten in een massagraf, van wie er 20 niet geïdentificeerd zijn. Op de foto's boven zien
we de begraafplaats met monument, onderaan een talud van de weg. De langwerpige rechthoek is het massagraf en rondom staan grafstenen. Verder liggen er in individu-
ele graven vier officieren die van de begraafplaats van
Villers-Cotterêts hierheen zijn overgebracht (op de linker foto linksonder). Ook is er een graf van een later gesneu-
velde soldaat (op dezelfde foto aan de rechter kant).

Op tweehonderd meter afstand van de Guards' Grave en ook aan
de D81 staat het monument "Passant Arrête-toi". Het is een monu-
ument voor tweede luitenant van de Grenadier Guards Georg Ed-
ward Cecil, die 18 jaar oud op 1 september 1914 bij de gevechten
in de omringende bossen gesneuveld is. Cecil ligt begraven op de
Guards' Grave. Het monument is ook opgedragen aan de andere
Guards die bij deze gevechten gesneuveld zijn. Het is opgericht
door de moeder van Georg Edward Cecil. De sculptuur is van
François Sicard. Deze is geïnspireerd op een afbeelding van de
Griekse oorlogsgodin Athena die steunt op haar lans, op een stèle
in het Akropolis Museum in Athene . Het is op 1 september 1922
ingewijd.

Aan de D83 in de gemeente Parcy-et-Tigny ligt een
Duitse begraafplaats met dezelfde naam. (zie de pagina
Chemin des Dames en de Champagne, sectie Tweede
Slag aan de Marne). Op het veld rechts van de ingang
bevindt zich een monument in de vorm van een obelisk.
Het herdenkt de charges van de 5e cavaleriedivisie op
8-10 september 1914 op de achterhoede van de troe-
pen generaal Von Kluck. Hieraan namen zowel ruiters
als soldaten op de fiets deel.

Vanaf de driesprong waar de weg van Trilbardou, een dorp ten
westen van Meaux, op de N3 uitkomt, heb je een goed uitzicht
op een deel van het voormalige slagveld. Generaal Manoury van
het 6e Franse leger had hier dan ook een grote tent neergezet met
daarin een observatiepost. Op deze plaats heeft ook een tijdje een
standbeeld van generaal Gallieni gestaan, maar na een poging tot
diefstal is het naast het Musée de la Grande Guerre in Meaux ge-
plaatst (zie Chemin des Dames en de Champagne, sectie 4 of klik hier
voor een foto van het beeld).

In Chauconin, dat nu deel uitmaakt van de gemeente Chauconin-Neufmontiers, werd op 5 en 6 september 1914 zwaar gevochten. De Église Saint-Barthélemy
(foto linksboven) werd daarbij door de Fransen als hospitaal gebruikt. In de kerk zijn op de muren nog een groot aantal inscripties te vinden van gewonden die
daar verzorgd werden. Bij deze gevechten speelde aan Franse zijde de Marokkaanse Brigade een belangrijke rol. Een monument tegenover het gemeentehuis
gedenkt hun bijdrage (foto midden). Dit monument werd overigens pas in 2017 geplaatst. Op 16 september van dat jaar werd het in aanwezigheid van de Ma-
rokkaanse ambassadeur in Frankrijk onthuld. Op de begraafplaats net buiten het dorp bevinden zich bij de ingang drie graven van toen gesneuvelde officieren
  van de koloniale eenheden (foto rechtsboven). Twee zijn op 5 september omgekomen en één op 9 september.

Hierboven zagen we het monument voor de Marokkaanse Brigade. Eén
van de plaatsen waar die werd in gezet was het Bois du Télégraphe bij
Penchard, ten noordoosten van Chauconin-Neufmontiers. De eenheid
moest op 5 september de flank van de heuvel in het bos bestormen zonder
steun van artillerie en mitrailleurs. Tegen de Duitse mitrailleurs hadden de
aanvallende soldaten geen schijn van kans en bijna 1200 man sneuvelden,
ongeveer 30% van de eenheid. Onder hen was de Franse kapitein Guy
Hugot-Derville, 33 jaar oud. Hij is, zoals hij dat wenste, begraven op de
plaats waar hij sneuvelde. Zijn familie heeft er een grafmonument geplaatst:
een kruis van graniet uit Bretagne, de geboortestreek van Hugot-Derville.
Zoals de plaquette op de voet van het grafmonument ons vertelt, zijn zijn
twee jongere broers ook in deze oorlog gesneuveld, in 1914 en 1915 in
het Bois de Lalau ten zuidwesten van Lunéville en bij Les Éparges.

Aan de D129 ten oosten van Villeroy bevindt zich een groot massagraf: de Grande Tombe de
Villeroy. In deze streek begon de Eerste Slag aan de Marne, toen Franse eenheden er op 5
september door Duitse kanonnen beschoten werden. Het landschap is er nog bijna net zo als
op die dag in 1914. De ruim honderd hier gesneuvelde soldaten werden op 7 en 8 september
in een toevallig aanwezige kuil voor de opslag van bieten begraven. Onder hen was de dichter
Charles Péguy (zie hierna). Al snel kreeg het massagraf de naam Grande Tombe. Er werd een
groot wit kruis op gezet en de direct na de begrafenis geplaatste houten kruizen werden door
witte kruizen vervangen. In 1932 werd het huidige grafmonument geplaatst en op 11 november
onthuld. In het graf liggen 133 soldaten, waarvan 99 geïdentificeerd. Hun namen staan op het
monument vermeld: bovenaan achter elkaar de namen van vijf officieren (met als laatste Peguy)
en daaronder in vijf kolommen de anderen met onderaan de tekst: Dit graf bevat ook nog de
stoffelijke resten van 2 sergeants en 32 soldaten die niet bekend zijn. Het monument is een
ontwerp van architect Henri Faucheur en uitgevoerd door de marmerwerker Lelu en Louis
Barillet die de mozaïeken maakte. Het betonnen kruis op de top is in 1951 toegevoegd.

Niet ver van de Grande Tombe de Villeroy, waar de D129 op de D27 uitkomt, staat het
Mémorial Charles Péguy (foto links). Het bevindt zich op ongeveer 400 m van de plek
waar Péguy sneuvelde. Péguy was een socialistisch dichter en schrijver die zich eerst van
het rooms-katholicistisme had afgekeerd maar vlak voor zijn dood weer tot het katholieke
geloof terugkeerde. Hij verkeerde onder meer een tijdje in de kringen rond Émile Zola.
Op 5 september 1914 maakte hij deel uit van het Franse 276e infanterieregiment dat op
die dag over open terrein een aanval op de Duitse linie deed. De foto rechts, genomen
vanaf de plaats waar het monument staat, laat zien hoe vlak het terrein is. In 1914 was het
niet anders en de Franse soldaten liepen recht in het Duitse mitrailleurvuur. Péguy sneuvel-
de hierbij en met hem vele anderen. Hij ligt in de Grande Tombe begraven. Maar ook de
Duitsers kwamen niet verder en het monument markeert ook het punt het dichst bij Parijs
dat het Duitse leger bereikte.

In Iverny aan de Rue de Fresne, naast nr. 27, staat een monument voor
"De helden van de Marne", zoals een plaquette op de sokkel ons vertelt.
Het monument staat niet toevallig op deze plaats, want hier sneuvelde
luitenant Adolphe Withcomb. Hij was onderweg met een dringende
boodschap voor het 231e infanterieregiment om aan te vallen, maar
werd op deze plek van zijn paard geschoten. Hierdoor bereikte het be-
richt (nu gebracht door een tweede ordonnans) zijn bestemming te laat
en kon het 231e geen steun meer verlenen bij de aanval van die dag.
Het monument van architect Pierre Ponsard werd in 1918 geplaatst op
op verzoek van de familie. Adolphe Withcomb ligt in Iverny begraven
op het plaatselijke kerkhof.

De foto links laat het kasteel van
Monthyon zien. In dit kasteel, gele-
gen in de gelijknamige plaats ten
noordwesten van Meaux, hadden
de Duitsers een commandopost en
een veldhospitaal ondergebracht.
Vanuit deze plek hadden ze een
ruim overzicht over het slagveld.

Aan de N330, halverwege Monthyon en Saint-Soupplets
ligt de Butte de la Saulorette. Bovenop deze heuvel staat
een monument. Het geeft de plek aan waar door een Duits
77 mm geschut om half één 's-middags op 5 september
1914 de eerste schoten werden gelost van de Slag aan de
Marne. De stele werd hier op 12 september 1972 inge
wijd bij een herdenking dat deze slag 62 jaar geleden be-
gonnen was.

Het pad op de foto linksboven loopt waar ten tijde van de Slag aan de Marne een spoorlijn lag die Saint-Soupplets met Dammartin verbond. Tijdens de slag bood de spoordijk op 5 september dekking
aan de soldaten van de 65e en 69e brigade van de Jagers te Voet tegen Duitse beschietingen. Achter het hek langs het voetpad kan men met enige moeite nog oude loopgraven zien liggen (foto's midden
en rechts). Ze behoren tot de eerste Franse loopgraven in de Eerste Wereldoorlog en werden direct na de slag gegraven. Ze maakten deel uit van het zgn. Camp retranché de Paris, een al langer bestaande
verdedigingsgordel rondom Parijs, die na de slag nog verder versterkt werd.

Op de kruising van de D140 en de D38 ten westen
van Chambry staat een groot monument in de vorm
van een demarcatiepaal versierd met kransen, het
Monument des Quatre-Routes. Het werd er geplaatst
op 12 september 1915 op wens van generaal Gallieni
ter herdenking van de eerste verjaardag van de Slag
aan de Marne. Het eert speciaal de gesneuvelden van
het Zesde Leger, het Leger van Parijs.

Ten zuidoosten van Barcy aan de D97 staat een herdenkingszuil, zoals die
ook veel gebruikt is bij plaatselijke herdenkingsmonumenten. Aan de voor-
kant bevindt zich een beeld van Maria met het kind Jezus. (foto links. Dit
monument, de Mémorial de Notre Dame de la Marne, is een werk van de
beeldhouwer Louis Maubert. Het werd opgericht door de familie van de in
1921 overleden bisschop van Meaux, Mgr Marbeau. Deze had het monu-
ment beloofd indien zijn stad gespaard zou blijven. Het Franse leger lukte
het inderdaad in de Duitsers te stoppen en het monument draagt dan ook
het opschrift "Tu n'iras pas plus loin" (Je zult niet verder gaan). Het monu-
ment werd op 9 juni 1924 ingewijd. Het monument is tegelijk patriottisch
en religieus.
Een eindje verderop op hetzelfde terrein staat het monument van de foto
rechts uit 2007. Dit niet-religieuze monument herdenkt alle alle soldaten die
aan de Eerste Slag aan de Marne hebben deelgenomen.

In Chambry is bijzonder hevig gevochten en de plaats was nu eens in handen van de ene partij dan weer in die van de andere. Nadat op de het eind van eerste dag van de Slag aan de Marne de Duitsers door de
Zouaven uit het dorp verdreven waren, verschansten ze zich op de gemeentelijk begraafplaats en maakten er schietgaten in de omringende muur voor hun geweren en mitraileurs. De volgende drie dagen, van 6 tot
8 september, wordt daar zwaar gevochten, totdat de Duiste soldaten uiteindelijk ook daar verdreven worden. Ook de Zouaven maakten schietgaten in de muur. Op de foto linksboven zien we door Duitsers ge-
maakte schietgaven in de muur aan het eind van de begraafplaats. Jaren na de oorlog werd de begraafplaats aan de westkant uitgebreid. Stukken van de oude muur bleven als monument staan. Op de foto midden-
boven zien we zo'n muurrest met door Zouaven van de 45e Afrikaanse divisie gemaakt schietgaten. De foto rechts geeft ons een uitzicht door een schietgat in de muur achterin. Verspreid op de begraafplaats liggen
nog een aantal Franse soldaten begraven die toen gesneuveld zijn, onder meer aan de voet van de muurrest op de middelste foto.

Aan de D97 tussen Barcy en Varreddes bevinden zich twee militaire begraafplaatsen: Een Frans, meer in de richting van Barcy, en een Duits, vlakbij Varreddes. De foto's hierboven laten de Franse begraafplaats
zien, de Nécropole nationale de Chambry. De begraafplaats is al in 1914 aangelegd en wel voor de Franse soldaten die in de Slag aan de Ourcq gesneuvled waren. Tussen 1924 en 1936 zijn ook de stoffelijke
resten van soldaten op andere begraafplaatsen in het departement Seine-et-Marne naar deze begraafplaats gebracht, onder meer van de Marokkaanse Brigade, die eerst in Neufmontiers begraven waren. Op de
begraafplaats bevinden zich 341 individuele graven. 990 soldaten zijn in vier massagraven achter op de begraafplaats bijgezet. Twee van deze massagraven zijn te zien op de foto rechts.

Aan de D97 ten westen van Varreddes bevindt zich een Duitse begraafplaats voor soldaten gesneuveld in de Slag aan de Marne. Deze is in 1924 aangelegd. Er liggen 1030
soldaten begraven, waarvan 998 in massagraven. Van hen zijn 985 soldaten onbekend gebleven. Namen van wel bekende soldaten staan vermeld op het monument bij de
massagraven. De massagraven zien we op de foto rechtsboven links en rechts van het monument. Onder elk van de kruizen liggen twee tot vier soldaten begraven.

Net als bij Chambry werd ook op de gemeentelijke begraafplaats van Étrépilly zwaar gevochten en wel vooral in de nacht van 7 op 8 september. Duitse troepen hadden er zich verschanst en werden er aangevallen
door het 2e regiment zoeaven onder leiding van luitenant-kolonel Victor Émile Dubujadoux. Uiteindelijk werden de Duitsers door de zoeaven verdreven, maar deze laatsten verloren daarbij wel de helft van hun man-
schappen en driekwart van de officieren. Ook Dubujadoux sneuvelde. Deze gevechten maakten deel uit van de Slag aan de Ourcq (een onderdeel van de Slag aan de Marne) en een plaquette op een muur van de
begraafplaats herdenkt de soldaten die aan deze slag deelnamen (foto middenboven). Verder bevindt zich op de begraafplaats een enkel graf van van een gesneuvelde (foto linksboven). De straat langs de begraaf-
plaats is naar Dubujadoux vernoemd. Een eindje verderop bevindt zich een militaire begraafplaats waar de gesneuvelde zoeaven begraven zijn (zie hieronder).

                 
Vlakbij de gemeentelijke begraafplaats van Étrépilly, waar zo zwaar gevochten is (zie boven), ligt een militaire begraafplaats waar de Franse soldaten die in deze
strijd gesneuveld zijn begraven liggen. De begraafplaats is direct na de gevechten aangelegd. Tussen 1919 en 1924 zijn er ook stoffelijke overschotten van andere
begraafplaatsen hierheen gebracht. In totaal liggen op deze Nécrople nationale d'Étrépilly 667 soldaten, waarvan 534 in twee massagraven op het eind van de be-
graafplaats. Bij de entrée is op de plek waar de gevechten het hevigst waren een monument geplaatst. Dit monument (zie foto  linksboven) is op 12 september
1915 ingewijd en is het eerste monument ter herdenking van de doden uit de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk. De foto boven in het midden geeft een overzicht
over de begraafplaats. Rechtsboven zien we het grafmonument bij de twee massagraven. De foto links laat het graf zien van de commandant van het 2e regiment
zoeaven, luitenant-kolonel Dubujadoux (zie tekst bij de vorige foto's).

UItgestrekt delen van het landschap waar de Eerste Slag aan de Marne
uitgevochten werd, bestond uit golvend en open terrein, zonder enige
dekking voor de soldaten. Vandaag de dag ziet het er nog ongeveer net
zo uit als in de eerste dagen van september 1914. De foto's hier links
en rechts geven een beeld van het terrein bij Trocy-en-Multien, tussen
Étrépilly en Lizy-sur-Ourcq.

Bij de begraafplaats van Acy-en-Multien en het ernaast liggende
kasteel werd tijdens de Slag aan de Marne zwaar gevochten. De
graven werden volgens getuigen daarbij zo omgewoeld dat de li-
chamen soms naar boven kwamen. 27 Franse soldaten die in de
slag gesneuveld zijn liggen nu op de begraafplaats begraven (foto
rechts). Op de foto links zien we de toegang naar de begraaf-
plaats. De kogelgaten in de muur zijn nog te zien.

Ook bij Étavigny werd gevochten. De plaats ligt op
een hoogte en de kerktoren werd door de Duitsers
als uitkijkpost gebruikt. De toren werd daarom door
de Fransen met hun veldgeschut kapot geschoten. Na
de gevechten bleek het dorp bovendien voor een deel
afgebrand. Kerk en toren werden in de jaren twintig
na de oorlog weer opgebouwd.

Tijdens de Slag aan de Marne werden de bruggen over de Marne in La
Ferté-sous-Jouarre vernield, o.a. door het terugtrekkende Duitse leger
dat achtervolgd werd door de Britten. De genie van de 1e Britse divisie
legde in de nacht van 9 op 10 september een drijvende noodbrug aan.
Een monument in de vorm van brugpijlers aan elke oever van de Marne
herdenkt dit. De foto links toont een van die symbolische pijlers.
In La Ferté staat ook een groot monument voor de 3888 Britse soldaten
die vermist zijn vanaf de aankomst van de Britten in Frankrijk in augustus
1914 tot en met oktober van dat jaar. Het gaat vooral om soldaten ver-
mist bij Bergen in België en in Frankrijk bij Le Cateau en aan de Marne
en de Aisne. Het monument bevat alle namen van de vermisten. Het is
een werk van architect George Hartley Goldsmith. Naast de namen van
de vermisten zijn op het monument oorlogssymbolen aangebracht. Het
monument zelf is een grote sarcofaag van wit kalksteen met op de hoe-
ken pijlers met wapenschilden. Het is op 4 november 1928 ingewijd.

Iets ten westen van Charleville (Marne) aan de D47 staat een
monument voor kolonel Perez en zijn 800 dappere medestrijders,
zoals het opschrift ons vertelt. (foto links). Ze maakten deel uit
van het Franse 2e Infanterieregiment, dat hier op 6 september in
actie kwam. Op het eind van de dag waren 731 soldaten gedood,
gewond of vermist. Kol. Perez was één van de gesneuvelden.
Gaan we vanuit Charleville via de D47 in oostelijke richting en
rijden we vervolgens via de D647 richting Soizy-aux-Bois, dan
treffen we links van de weg bij de bosrand  het monumentje van
de foto rechts aan. Het is voor Albert Mathieu, geboren in Fère-
Champenoise, die op 6 september 1914 op deze plek sneuvelde,
aldus de tekst op het monument. Hij was toen 20 jaar oud en
behoorde tot het 94e infanterieregiment.

In Soizy-aux-Bois aan de D44 net buiten het dorp bevindt zich de Nécrople Nationale van bijgaande foto's. Er zijn geen individuele graven maar alleen twee massagraven.
De begraafplaats werd direct na de gevechten van begin september ingericht. Eerst waren er ook Duitse soldaten begraven, maar die zijn na de oorlog overgebracht naar
de begraafplaats van Connantre. In eerste instantie kregen burgers de opdracht de lichamen van gesneuvelde soldaten te verzamelen en te begraven. In een week werden
ongeveer 700 lijken verzameld. Na de oorlog werd de begraafplaats heringericht. Aan de ene kant werden er in 1924 lichamen van begraafplaatsen uit de omgeving naartoe
gebracht, aan de andere kant werden lichamen die geïdentificeerd waren aan de familie teruggegeven, indien ze dat wensten. Er liggen nu 1692 soldaten in de twee massa-
graven, waarvan 404 geïdentificeerd. Het gaat vooral om soldaten gesneuveld bij het kasteel van Mondement en in de moerassen van Saint Gond. De namen van de geïden-
tificeerde soldaten staan op een groot grafmonument vermeld. Verder is er een gedenkkruis. De begraafplaats is in 2005 gerestaureerd.

Tijdens de Slag aan de Marne was in het kasteel van Broyes,
het Château des Pucelles (Maagdenkasteel), tijdelijk de staf
van generaal Humbert van de Marokkaannse Divisie gevestigd.
(foto links) De plek bleek van bijzondere strategische waarde.
Van hieruit leidde Humbert de tegenaanvallen die de Duitse
troepen uit het nabijgelegen Mondement verdreven.

De Franse troepen werden geleid door generaal (later maarschalk) Joffre,
die in Chȃtillon-sur-Seine zijn hoofdkwartier had. In deze plaats in het de-
partement Côte d'Or staat nu een monument dat de Franse overwinning
herdenkt. Het bevat een bas-reliëf waarop Joffre, zijn adjudant kolonel
Gamelin en Athene, de Griekse godin van de oorlog, staan afgebeeld met
links van hen de dagorder van Joffre op 6 september aan zijn troepen bij
het begin van de slag. Het bas-reliëf is een ontwerp van de beeldhouwer
Jean Dampt en uitgevoerd in steen uit de groeve van Pouillenay. Het was
gereed in 1935 en is toen tentoongesteld. Nadat het aan de gemeente was
gegeven, werd het in 1936 bij de bronnen van de Douix geplaatst. In
1950 is het overgebracht naar het daarvoor gecreëerde Place Joffre in
het zuiden van de stad.


–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–


Links naar mijn andere foto's van de Eerste  Wereldoorlog:

Het Westfront

Het Oostfront

Het Oostenrijks-Italiaanse Front

Buiten de fronten

 

terug naar de inleiding  

terug naar de homepage