terug

De macht van Woorden. Simone Weil (1909-1943)

Henk bij de Weg

De macht van woorden. Simone Weil (1909-1943)

Henk bij de Weg 

Iemand zei me eens dat ik een nogal eclectische boekenkeuze heb. Nauwelijks had ik Arthur Schopenhauers De wereld als wil en voorstelling uit of ik begon al weer aan een anthologie van Simone Weil, zo had ik hem verteld. Nu moet ik toegeven dat Schopenhauer en Weil wel erg verschillende filosofen zijn en vaak lees ik achter elkaar boeken die voor een buitenstaander nauwelijks enige samenhang vertonen, maar wil dit zeggen dat mijn keuze echt zo eclectisch is? Misschien in dit geval wel, maar wat ik ook lees, al sinds vele jaren staat de filosofie van de geest en het handelen centraal, evenals een ander thema, waar ik me nog veel langer mee bezighoud: geweldloosheid. Zoals ik het nu zie, zal dat wel zo blijven, hoewel een mens nooit weet hoe hij verandert of wat er gebeurt. Vanuit een andere hoek bekeken kun je ook zeggen dat mijn filosofisch denken en lezen geleid worden door de vragen die ik gekozen heb als ondertitel voor mijn boek Hardlopen met mijn geest: Wie ben ik? Wat doe ik? Zo bezien zijn boeken als die van Schopenhauer en Weil zijpaden die ik betreed,  waarna ik weer op de hoofdweg terugkeer.

Hoe dit ook zij, ik denk dat het voor veel filosofen goed zou zijn, als hun boekenkeuze wat breder zou zijn dan nu het geval is. Hoe vaak gebeurt het niet dat ik een filosofisch boek of artikel lees en denk: “Wat de schrijver hier beweert klopt beslist niet. De auteur gaat te veel van zijn intuïtie uit en als hij wat meer over zijn onderwerp gelezen had, dan zou hij geweten hebben dat het beslist niet klopt wat hij beweert. Zijn standpunt is op zijn minst twijfelachtig en moet in ieder geval beter beargumenteerd worden en meer worden ondersteund door de feiten.”

Dit te intuïtief redeneren kom ik vaak tegen wanneer de betreffende filosoof analyseert hoe de geest werkt en hoe mensen zich gedragen. De afgelopen jaren zijn er echter heel veel nieuwe ontdekkingen gedaan op het gebied van de hersenwetenschap en is er erg veel nieuws aan het licht gekomen over de werking van de geest. Naar mijn mening is de tijd voorbij dat we over dergelijke onderwerpen kunnen filosoferen door alleen maar diep na te denken. Ook is de samenleving te complex dan dat we deze door vanuit de intuïtie te redeneren voor een substantieel deel kunnen leren kennen. Daarom zou het goed zijn dat veel filosofen op een bepaalde manier wat eclectischer zou zijn, zodat ze een wat ruimere blik zouden krijgen. Hoe de wereld in elkaar zit is niet intuïtief te doorgronden, kort gezegd.

Maar terug naar Simone Weil. Wanneer ik de anthologie van haar werk niet toevallig op vakantie in een boekwinkel had zien liggen, dan zou ik misschien nooit een letter van haar geschriften gelezen hebben. En Weil is toch zo invloedrijk geweest, ook al was ze een beetje een eenling in de filosofische wereld. Ze schrijft over thema’s die de kern van het leven raken en Weil nam zelf ook deel aan de belangrijkste gebeurtenissen van haar tijd, zoals de arbeidersbeweging en het verzet tegen de Nazi-bezetting van haar land Frankrijk. Bij het lezen van deze verzamelbundel kwam ik telkens en telkens weer inzichten tegen die ik elders – bijvoorbeeld in mijn blogs – zelf aan de orde heb gesteld, maar dan onder verwijzing naar andere filosofen. Neem bijvoorbeeld deze passage uit Weils essay “De Ilias of het gedicht van Kracht”[1]: “… de zegevierende soldaat is als een gesel van de natuur. Bezeten door de oorlog wordt hij … een ding, hoewel zijn manier van doen zo anders is – over hem hebben de woorden evenveel macht als over de zaak zelf. En beide, geraakte door de kracht, ervaren onvermijdelijke gevolgen ervan: ze worden doof en stom”. En een paar regels daarna gaat ze voort: “Niet de man die de plannen maakt, de strateeg, de man die handelt op basis van een genomen beslissing, is degene die de slag wint of verliest; de slag wordt gestreden en beslist door hen die deze bekwaamheden ontnomen is; mensen die een transformatie hebben ondergaan en die of vervallen zijn tot het niveau van inertie, wat zuivere passiviteit is, of tot het niveau van blinde kracht, wat zuivere drang is. Hierin ligt het geheim van oorlog …”.[2] En ik zou eraan willen toevoegen: en van veel wat we verder in het leven doen.

Maar is dit niet wat Hannah Arendt later heeft geschreven, toen ze de banaliteit van het kwaad aan de orde stelde en in feite de stelling verdedigde dat wat we doen in grote mate bepaald wordt door de situatie waarin we ons bevinden? Dat we door de dynamiek van de omstandigheden waarin we, hoe dan ook, verzeild geraakt zijn, meegesleept worden, waardoor we onze individualiteit neigen te verliezen evenals ons vermogen om onafhankelijk te denken? En is dit niet hetzelfde als wat Philip Zimbardo experimenteel heeft aangetoond in zijn beroemde Stanford Gevangenisexperiment: Dat de situatie ons vaak dingen laat doen die we nooit gedaan zouden hebben, als we de tijd zouden hebben genomen om even na te denken (en ook hadden kunnen nemen)? Een niet te beperkte, zo niet ruime keuze van wat je leest helpt je verbanden te zien die je anders niet zou hebben gezien. Het helpt je ook om in aanraking te komen met auteurs die op zich interessant zijn, ongeacht wat hun wijdere betekenis is, zoals voor mij bij Simone Weil het geval was.

Simone Weil was, zoals zovelen van ons, een kind van haar tijd en dat waren vooral de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw en de Tweede Wereldoorlog. Veel van haar werk is een commentaar op en analyse van de gebeurtenissen om haar heen. Maar haar werk is verrassend actueel en veel van wat ze schreef is vandaag de dag nog steeds geldig. We zagen hier zojuist al een voorbeeld van. Of moet ik in navolging van Nietzsche zeggen dat de geschiedenis zichzelf herhaalt? Want Simone Weils werk is niet futurologisch bedoeld maar ze legde de werkelijkheid bloot achter de conflicten die om haar heen speelden. Dit zien we vooral ook in haar essay “De macht van woorden”, geschreven aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Ze maakt hier duidelijk dat veel van de conflicten die ze rondom zich zag inhoudsloos waren, of liever geen duidelijk doel hadden: “… het zijn conflicten waarvan men niet kan vaststellen wat er precies nagestreefd wordt” (aldaar, p. 240). Maar, zo gaat Weil verder, juist dit soort conflicten zijn het gevaarlijkst: “De hele geschiedenis legt er getuigenis van af dat precies zulke conflicten het bitterst zijn” (aldaar, p. 240). In een conflict waarvan de inzet duidelijk vastligt, kan iedere strijder beoordelen of de moeite en inspanningen de mogelijke winst waard zijn, zo legt ze uit. “Maar wanneer er geen doelstelling is, is er niet langer een algemene maat of proportie; men kan geen balans opmaken of alternatieven vergelijken en men kan zich niet voorstellen een compromis te sluiten” (aldaar, p. 241). Dan tellen alleen nog maar de kosten uit het verleden en met name het aantal slachtoffers. Juist deze zijn vaak een reden om door te gaan. Wat we dan zien is dat elke strijder iets uitpikt uit zijn gamma van mogelijke doeleinden en het met hoofdletters schrijft. Vervolgens zegt de strijder: DIT is ons doel. Maar vaak is het leeg. Het is niet meer dan een woord. “Maar wanneer lege woorden met hoofdletters worden geschreven, dan is voor hen het geringste voorwendsel voldoende om hierom een bloedbad te beginnen en in naam van deze woorden verwoestingen aan te richten, zonder dat ze er eigenlijk iets van begrijpen waar ze op slaan, aangezien dat waar ze op slaan nooit enige realiteit kan hebben om de eenvoudige reden dat ze niets betekenen” (aldaar, p. 240). Dan is de enige maatstaf voor het succes dat je in staat bent de “vijand” de hersens in te slaan.

Het deel van haar essay “De macht van woorden” dat ik zonet heb samengevat bevat slechts één aspect van Weils kritiek, maar alleen al deze analyse is voldoende om het tot een “briljant essay” te maken, zoals Siân Miles het noemt, die er een inleiding bij schreef. Onder verwijzing naar Homerus’ Ilias en de begintijd van Rome schreef ze een aanval op de Franse buitenlandse politiek van haar tijd. Ongetwijfeld dacht ze daarbij ook aan de ideologische conflicten tussen het nazisme, het communisme en het westerse kapitalisme c.q. de democratie. En ze dacht natuurlijk aan de Eerste Wereldoorlog die nog vers in het geheugen lag van vele Europeanen en die eerder tot een einde zou zijn gekomen, als de politici niet zo koppig waren geweest. Het is evenwel niet moeilijk om de woorden van Weil ook toe te passen op de politieke gebeurtenissen na de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de Koude Oorlog koud bleef en niet tot uitbarsting kwam in een hete strijd tussen de landen die erbij betrokken waren (de Westerse landen aan de ene kant en de Sovjet-Unie en Oost-Europa aan de andere kant), duurde deze vanwege de leegheid van het conflict en de doelloosheid ervan meer dan veertig jaar. De gevolgen van dit conflict over woorden, ofwel ideologische strijd zoals we zoiets gewoonlijk noemen, waren groter in die gebieden waar de ideologische verschillen wel tot een hete oorlog leidden. In de eerste plaats valt daarbij te denken aan de Vietnamoorlog. Hier sleepte zich wat aanvankelijk een onafhankelijkheidsstrijd was zich zo lang voort, omdat deze een nieuwe interpretatie kreeg in ideologische termen.

We kunnen Weils analyse vandaag de dag ook gemakkelijk toepassen wanneer we denken aan wat Samuel Huntington de botsing der beschavingen heeft genoemd, die ook gezien kan worden als een botsing van godsdiensten. Want wat is eigenlijk het nagestreefde doel van de aanval op de Twin Towers in die zin dat als dit of dat bereikt is de oorlog over is? Ook deze oorlog sleept zich sindsdien alsmaar voort vanwege de vaagheid van wat men met de terroristische aanvallen beoogt. En, even terzijde, ook hier zien we weer dat de geschiedenis zich herhaalt, zoals duidelijk wordt, wanneer we Albert Camus’ analyse van het anarchistische terrorisme rond 1900 in zijn De mens in opstand lezen. Want al is de rechtvaardiging van het terrorisme misschien anders geworden, de vorm en dynamiek ervan zijn bijna exact gelijk gebleven. “Wat er was, zal er altijd weer zijn, wat er is gedaan, zal altijd weer worden gedaan. Er is niets nieuws onder de zon”, zoals Prediker (1:9) al zei.

Lege woorden kunnen de politiek bepalen maar ze kunnen ook gebruikt worden voor politieke manipulatie. George Orwell heeft dit niet zo lang na Weils overlijden laten zien in zijn beroemde roman 1984. De slogan “Oorlog is Vrede” die hierin voorkomt, is een goed voorbeeld hoe betekenisloze woorden – of liever in dit geval betekenisloos gemaakte woorden – gebruikt kunnen worden om te manipuleren. Maar zoals we zagen laat ook Weil al zien hoe woorden een fatale invloed kunnen hebben op de politiek, zoals de woorden “natie”, “veiligheid” en “democratie”. Ook nu nog steeds worden deze woorden vaak gebruikt om politieke maatregelen en zelfs oorlogen te rechtvaardigen. Het gaat er niet om dat ze daarom maar uit ons vocabulaire geschrapt moeten worden. Ik wil beslist niet ontkennen dat bijvoorbeeld het idee van democratie erg belangrijk is! Maar, zoals Weil uitlegt, “elk van deze woorden [schijnt] voor ons een absolute werkelijkheid te vertegenwoordigen, ongeacht de omstandigheden, of een absoluut doel, onafhankelijk van de handelwijzen, of een absoluut kwaad; en tegelijk laten we al deze woorden van alles betekenen … wat we maar willen.” (p. 242) Niettemin “handelen we en spannen we onszelf in en offeren we onszelf en anderen op vanwege onveranderlijk bepaalde en geïsoleerde abstracties die onmogelijk met elkaar in verband kunnen worden gebracht of met wat voor concreet feit dan ook.” (p. 243) Veel strijd wordt slechts gestreden in naam van abstracties die niet in concrete doelstellingen zijn vertaald. Terecht spreekt Weil hier van een “dodelijke absurditeit”(p. 243).

“Bij uitstek een staaltje [van deze dodelijke absurditeit] is het antagonisme tussen de naties”, zo gaat Weil voort. Niets blijkt minder waar, wanneer men beseft hoe de geschiedenis verder is gegaan. Kort nadat ze deze woorden had opgeschreven, brak de Tweede Wereldoorlog uit. Het zou een van de dodelijkste conflicten uit de geschiedenis worden. Maar zes jaar na afloop sloten een aantal van de staten die het felst tegenover elkaar hadden gestaan (en dan denk ik allereerst aan Duitsland en Frankrijk) een samenwerkingsverdrag. Hierbij droegen ze nota bene een deel van hun macht over aan een supranationaal orgaan: De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). De EGKS werd niet lang daarna een van basisorganisaties van het supranationale samenwerkingsverband dat uiteindelijk zou leiden tot de Economische Unie. De oprichting van de EGKS is echter een duidelijke illustratie van wat Weil vervolgens zegt: dat nationale rivaliteiten geen betekenis hebben in het licht van de vele internationale netwerken die tegelijkertijd bestaan en dat, bijvoorbeeld, “de Duitse staalindustrie door de staalproducenten in Frankrijk misschien vijandig bekeken wordt, maar dat het de mijnondernemingen weinig uitmaakt of het ijzer uit Lotharingen in Frankrijk wordt verwerkt of in Duitsland …” (p. 243) Hoe absurd zou een voorstel tot de oprichting van een organisatie als de EGKS hebben geklonken op het eind van de jaren dertig van de vorige eeuw, toen Weil deze woorden schreef!

Als we zien wat voor relaties er in de wereld wel allemaal niet zijn tussen individuen, groepen, ondernemingen, sociale bewegingen, enz., en hoeveel relaties er wel niet zijn, dan zijn die tussen nationale staten niet meer dan één van de vele manieren waarop we op wereldnivo met elkaar omgaan en betrekkingen met elkaar hebben. De betekenis ervan wordt gewoonweg overschat. Het belang van de natie kan echter niet in de relaties met mensen en volken buiten de natie liggen. Dit zou inhouden dat de natie zichzelf zou ontkennen. Volgens Weil heeft een historische studie laten zien dat het belang van een natie ligt in het vermogen om oorlog te voeren. Weil zegt het niet, maar ik denk dat dit herleid kan worden tot het uit de sociale wetenschappen bekende onderscheid tussen “ingroup” en “outgroup”, waarmee veel sociaal gedraag verklaard kan worden. Hier kan ik niet op dit complexe vraagstuk ingaan, maar in laatste instantie leidt het ertoe dat mensen bereid zijn geweld te gebruiken om de eigen groep, de “ingroup”, tegen de “outgroup” te verdedigen. “Right or wrong my country”, zoals de Britten zeggen (maar zij niet alleen!). Zo gauw we dit inzien, wordt veel van wat er op het internationale vlak gebeurt begrijpelijk: “Wat een land zijn vitale economische belangen noemt, zijn niet de dingen die het de burgers mogelijk maakt te leven maar de dingen die het mogelijk maakt oorlog te voeren. Het is veel waarschijnlijker dat olie tot een internationaal conflict leidt dan tarwe. Dus wanneer er oorlog gevoerd wordt, dan is dat met het doel om de capaciteit om oorlog te voeren in stand te houden of te vergroten.”(p. 244) Maar zoals de zanger Country Joe McDonald in zijn beroemde refrein van de “Fish" Cheer/I-Feel-Like-I'm-Fixin'-to-Die Rag” zong: “What are we fighting for?” oftewel “Waar vechten we voor?”

Wat zijn dan de werkelijke belangen van een natie? Opnieuw legt Weil de vinger op de juiste plek: “Als de landen door een echte belangentegenstelling verdeeld zouden zijn, dan zou het mogelijk zijn om tot een bevredigend compromis te komen. Maar wanneer economische en politieke belangen alleen maar uit het oogpunt van oorlog betekenis hebben, hoe kunnen ze dan op vreedzame wijze met elkaar verzoend worden? Het idee “natie” zelf moet verdwijnen – of liever de manier waarop het woord gebruikt wordt.” (p. 245) Dat is wat vandaag de dag bijvoorbeeld door de Europese Unie wordt gedaan nagestreefd of althans bewerkt. De EU heeft in ieder geval al in zoverre succes gehad dat er sinds zijn oprichting geen enkel militair conflict meer heeft plaats gevonden tussen zijn leden-staten, terwijl toch tot dan de geschiedenis van de relaties tussen die landen een geschiedenis van oorlog is geweest. Zo heeft Nederland bijvoorbeeld in de loop der eeuwen vele oorlogen met de staten om zich heen gevoerd, zoals  tenminste vier oorlogen tegen Engeland, een tachtig jaar durende oorlog tegen Spanje, verschillende oorlogen tegen Frankrijk, één tegen België en ook één tegen Duitsland en vóór de eenwording van dit land in 1871 diverse tegen samenstellende de rijken en rijkjes. Vanuit dit perspectief bezien is het droevig dat de EU vanuit nationalistische hoek zoveel weerstand ondervindt. “Want het woord ‘nationaal’ en de uitdrukkingen waar het deel van uitmaakt zijn alle ontbloot van betekenis; de enige inhoud ervan bestaat uit miljoenen dode lichamen, wezen en gehandicapten en uit tranen en wanhoop” (245), zoals Weil terecht constateert.

19 december 2013

Aangehaalde literatuur

Bijbel, “Prediker”, 1:9
Camus, Albert, De mens in opstand, Amsterdam: Uitgeverij de Prom, 2004.
“Fish" Cheer/I-Feel-Like-I'm-Fixin'-to-Die Rag” te beluisteren op 
http://www.youtube.com/watch?v=Soy3PHV3RiM
Orwell, George, 1984, Amsterdam: Arbeiderspers, 1968.
Weil, Simone, An Anthology, London: Penguin Books, 2005. Hieruit
 “The Iliad or de Poem of Force” (pp. 182-216) en “The power of words” (pp. 238-259). 



Noten

[1] Gewoonlijk lees ik buitenlands werk zoveel mogelijk in de oorspronkelijk taal òf in het Nederlands, maar het was nu eenmaal een Engelstalige (vertaalde) anthologie die ik toevallig in die boekwinkel tegenkwam en ik wilde deze niet laten liggen. De citaten zijn vertalingen door mezelf uit deze anthologie, ondanks de bezwaren die een vertaling van een vertaling nu eenmaal geeft.

[2] Beide citaten komen uit Simone Weil. An anthology, Penguin Books, London, 2005; pp. 204-5.

terug