Dretske en de causale rol van redenen                  terug

Samenvatting

In zijn werk op het gebied van redenen beargumenteert Dretske dat redenen alleen maar van belang zijn, als ze causaal relevant zijn voor het verklaren van gedrag. Hij werkt dit uit in zijn representationele theorie van verklaren. In dit artikel wordt dit bestreden en laat ik zien dat er redenen bestaan die relevant zijn voor het verklaren van gedrag maar niet causaal relevant. In eerste instantie worden voor dit standpunt linguïstische argumenten aangedragen. Vervolgens wordt laten zien dat Dretskes representationele theorie niet in staat is om menselijke handelingen te verklaren, omdat mensen niet alleen objecten waarnemen die al een bepaalde zin hebben maar ook zelf zin toekennen aan objecten die worden waargenomen. Dit leidt er dan toe dat men een principieel onderscheid moet maken tussen redenen en oorzaken.

 

Dretske en de causale rol van redenen

Henk bij de Weg

Hoe kan het zijn dat iets een bepaalde betekenis ("meaning") heeft en dat het hebben van deze betekenis het optreden van een bepaald gevolg kan verklaren of althans causaal relevant is voor de verklaring van dit gevolg? Dit is de vraag die Dretske zich stelt, als hij zich afvraagt wat redenen zijn. Hierbij heeft Dretske twee dingen voor ogen. Ten eerste gaat het Dretske niet om gevallen waarin een betekenisdrager als oorzaak fungeert in een oorzaak-gevolgketen maar de betekenis als zodanig geen rol speelt in het causale proces. Dretske geeft hier het voorbeeld van een sopraan die met haar hoge tonen een glas laat springen. Ook al behoren de tonen tot de melodie van het lied dat de sopraan zingt, de inhoud van de woorden van het lied is voor het akoestische effect volslagen irrelevant. Voor Dretske valt zo’n geval buiten de theorie van de causale rol van betekenis. Er zijn echter processen, aldus Dretske, waarbij de betekenis van een element wel degelijk van belang is voor de causale rol van dit element en Dretske gaat het om dit soort processen (Dretske 1988, 77-80). Ten tweede moet de relevantie van de betekenis voor verklaren voor Dretske causale relevantie zijn. In zijn artikel "Reasons and causes" formuleert hij dit als volgt:

"If beliefs and desires are not causally relevant to behavior, I, for one, fail to see why it would be worth having them. We need beliefs and desires because our wanting this and believing that, besides being our reasons for doing what we do, are – sometimes at least – the reasons why we do it. If reasons aren’t causes, one of the chief – indeed (for certain people) the only – motive for including them in one’s inventory of the mind, vanishes. They are no longer capable of doing the job – actually getting us to do what they justify us in doing – that was their primary excuse for existing" (Dretske 1989, 1; cursief van Dretske).

Even verderop zegt Dretske het nog scherper:

"Any theory of meaning that doesn’t make a thing’s having meaning into a causally relevant property of the thing (and hence the fact that it has meaning into an explanatorily important fact about the thing) is a theory of meaning that can be rejected at the outset" (id., 5).

Voor Dretske zijn, en dit zien we ook in het eerste citaat, betekenissen die gedrag bepalen vooral redenen en dan met name overtuigingen en wensen. In dit artikel wil ik op de causale rol van redenen ingaan naar aanleiding van Dretskes opvattingen hieromtrent. In § 1 stel ik aan de orde of het wel nodig is redenen als betekenissen als causaal relevante factoren voor gedrag op te vatten, wil het gebruik ervan in een verklaring zinvol zijn. Hoe volgens Dretske redenen causaal relevant zijn voor gedrag en mijn kritiek hierop zet ik in § 2 uiteen. In 2.1 laat ik zien dat onder het begrip "cause" bij Dretske (maar niet alleen bij hem) twee verschillende begripen schuilgaan, die men in het Nederlands gewoonlijk met "oorzaak" en "reden" aanduidt. In 2.2 formuleer ik mijn kritiek op Dretskes representationele model. Dit model is bedoeld om de verklarende rol van "meaning" voor gedrag te laten zien en misschien is dit model wel geschikt voor het verklaren van de rol van betekenis die aan fysieke verschijnselen wordt toegekend. Sociale verschijnselen zijn echter naar hun aard, anders dan fysieke verschijnselen, al vooraf geïnterpreteerde verschijnselen, waardoor verklaringsproblemen ontstaan die met Dretskes model niet zijn te ondervangen. In 2.3 volgen dan de consequenties van mijn analyses voor Dretskes onderscheid tussen directe en structurerende redenen. Na deze kritiek hoop ik dan te hebben laten zien, dat het niet verstandig is een betekenistheorie "at the outset" te verwerpen, als daarin betekenissen niet causaal relevant zijn, omdat ze wel degelijk op andere wijze verklaringsrelevant kunnen zijn.

Voor ik me met Dretskes theorie van de causale rol van betekenissen ga bezighouden, wil ik nog iets zeggen over het gebruik van het woord "verklaren". Voor veel auteurs is verklaren synoniem met causaal verklaren, ook voor Dretske. Ik sluit me hier echter niet bij aan. Voor mij is verklaren ruimer en omvat het bijvoorbeeld ook begrijpen ("verstehen") of het aangeven van functies. Betekent "verklaren" in het volgende specifiek causaal verklaren, dan zal ik dit uitdrukkelijk aangeven, voor zover het niet duidelijk is uit de context.

 

1. De causale relevantie van redenen

Uit de citaten in de inleiding blijkt causale relevantie van redenen voor Dretske twee dingen in te houden: 1) Als redenen niet causaal relevant voor gedrag zijn, zijn ze ook niet anderszins relevant. Tenminste als redenen niet causaal maar wel anderszins relevant zijn, dan mogen we toch veronderstellen dat Dretske wel enige waarde ziet in het hebben van overtuigingen en verlangens (i.e. redenen) en zou hij een theorie die aan de causale relevantie ervan voorbijgaat of deze afwijst niet direct verwerpen. 2) Als we het hebben over de redenen waarom we iets doen, dan moeten we dit "waarom" causaal interpreteren.

Voor ik me rechtstreeks op de vraag richt of deze twee stellingen van Dretske houdbaar zijn, wil ik eerst zijn begrip "reden" wat toelichten. Voor Dretske zijn redenen "those content-possessing mental states (belief, desire, fear, regret) we invoke to explain one another’s behavior" (Dretske 1988, 79). Specifieker, voor Dretske zijn actors redenen de cognitieve factoren en conatieve voorwaarden die diens gedrag sturen. De cognitieve factoren C, die ik verder net als Dretske "beliefs", oftewel "overtuigingen", zal noemen, hebben als functie ".… to indicate the presence of those conditions that, if the right motivational state is present, will lead, other things being equal, to M" (id., 105), waarbij M is wat er door actor gedaan wordt, diens gedrag of handeling. Het hebben van een overtuiging is echter niet voldoende dat M optreedt. Daartoe moet er ook sprake zijn van een conatieve voorwaarde, dat wil zeggen een bepaalde motivationele toestand oftewel, zoals Dretske deze verder aangeeft, een "desire" (verlangen, wens). In essentie zijn het de cognitieve factoren en de conatieve voorwaarden samen die gedrag bepalen en daarmee redenen voor dit gedrag zijn (id., 105-107). Dretske geeft hier het voorbeeld van een thermostaat. Een indicator registreert de kamertemperatuur (cognitieve factor), maar de verwarming wordt pas aangezet, als de kamertemperatuur lager is dan de gewenste temperatuur (conatieve voorwaarde). Of ook: We hebben een rat geleerd een hendel in te drukken om voedsel te krijgen, maar de rat zal later, als hij die hendel ziet (cognitieve factor) deze pas indrukken, als hij honger heeft (conatieve voorwaarde).

Met deze achtergrond wil ik eens naar het volgende voorbeeld kijken om de twee stellingen van Dretske te toetsen. Stel een vriend belt me op met de vraag of ik hem bij een klus kan helpen. Ik zeg dat ik zo snel mogelijk kom, pak mij jas, loop naar de schuur en neem mijn fiets. Net als ik weg wil rijden, komt mijn vrouw de deur uit en vraagt me nog een brief te posten.

Wat ik nu doe kan ik op twee manieren beschrijven: 1) de brief van mijn vrouw naar de brievenbus brengen; 2) naar mijn vriend gaan. Laten we eerst eens naar de eerste beschrijving kijken van wat ik doe. Dit brief posten heeft, lijkt me, als we de theorie van Dretske toepassen, als cognitieve factor mijn overtuiging dat mijn vrouw graag wil dat ik de brief post op grond van haar vraag. Ik wil mijn vrouw graag ter wille zijn en heb daarmee ook een verlangen (conatieve voorwaarde) om de brief inderdaad te posten. Hiermee lijkt mijn handeling "brief posten" (M) verklaard. Toch is hiermee nog niet alles gezegd over waarom ik de brief op de post doe en hier komt mijn "andere" handeling in het spel: naar mijn vriend gaan. Deze handeling kunnen we op overeenkomstige wijze "verklaren" als het posten van de brief, maar daar gaat het me hier niet om. Het gaat me om de relatie van dit "naar mijn vriend gaan" tot de handeling "brief posten". Als ik namelijk niet naar mijn vriend was gegaan, dan had mijn vrouw me de vraag niet gesteld en had ik de brief niet gepost. Ze had hem bijvoorbeeld zelf later gepost, als ze om een of andere reden de deur uit zou gaan. Dit naar mijn vriend gaan is daarom essentieel daarvoor dat ik de brief post: ik doe de brief op de post en wel omdat ik naar mijn vriend ga. Het naar mijn vriend gaan is daarom een relevante "verklarende" factor voor de handeling "het posten van de brief" en wel een overweging die ik kan aanvoeren als iemand me vraagt, waarom ik de brief ben gaan posten: "Ik was op het punt naar mijn vriend te gaan en mijn vrouw vroeg me toen deze brief te posten en daarom postte ik deze brief", kan ik de rechter uitleggen, als hij me later vraagt, wat ik op de plaats van de misdaad te zoeken had. Deze overweging is daarmee een reden in de zin van Dretske, namelijk een "belief". Maar is deze overweging ook een causale relevante "verklarende", en wel cognitieve, factor voor mijn handeling "het posten van de brief"? Dretske zegt terecht dat cognitieve factoren alleen causaal werkzaam kunnen zijn, als er sprake is van een bijbehorende conatieve voorwaarde, "the right motivational state", zoals Dretske in het citaat hierboven zegt of zoals hij elders zegt: "a desire for whatever reward or reinforcement promoted C into a cause of M" (id., 105). Zoals we zagen is in mijn voorbeeld de conatieve voorwaarde, oftewel de "desire", dat ik mijn vrouw ter wille wil zijn. De overweging dat ik naar mijn vriend ga, verwijst echter niet naar een omstandigheid die een vervulling kan geven van mijn ter wille willen zijn van mijn vrouw (zoals het zien van de hendel dit doet bij de hongerige rat). Het is ook geen cognitieve factor die door deze conatieve voorwaarde vervuld wordt of kan worden (men krijgt trek, als men eten ruikt). Of zoals Dretske het ook formuleert, het gaat niet om een "internal indication of the appropriate stimulus conditions" (id., 113n). Om deze conatieve voorwaarde te vervullen hebben we een andere cognitieve factor nodig die wel de geëigende omstandigheden indiceert, in dit geval dat mijn vrouw roept en me vraagt de brief te posten. Dit naar mijn vriend gaan doe ik omdat hij me opgebeld heeft en ik hem ter wille wil zijn. Niet het naar mijn vriend gaan maar de vraag van mijn vrouw is de causaal werkzame reden in Dretskes zin voor mijn handeling dat ik de brief post. Bij de aanwezigheid van een andere cognitieve factor wordt mijn naar mijn vriend gaan echter wel een relevante reden om mijn vrouw ter wille te zijn, i.c. een brief voor haar te posten, en dit is wat in mijn voorbeeld het geval is. We hebben hier dus een (cognitieve) factor die wel een relevante reden is voor de handeling maar geen causaal relevante reden in de zin van Dretske. Redenen kunnen namelijk ook gebruikt worden om handelingen aan anderen (maar ook zichzelf!) uit te leggen, oftewel begrijpelijk te maken of te rechtvaardigen.

Hiermee wil ik dit deel van mijn kritiek op de twee hierboven geformuleerde stellingen van Dretske over de causaliteit van redenen afronden en concluderen: Redenen kunnen relevant zijn voor de "verklaring" van wat ik doe, mijn handelingen, zonder causaal relevant te zijn. Redenen geven desondanks een antwoord op de vraag waarom ik iets doe.

 

2. Dretskes representationele theorie

In § 1 heb ik laten zien dat redenen niet noodzakelijkerwijze oorzaken in de zin van Dretske zijn en, wat vooral belangrijk is, dat ze relevant kunnen zijn voor een verklaring zonder causaal relevant te zijn. Daarbij bleef de mogelijkheid open dat er ook wèl causaal relevante redenen zijn. In dit tweede deel van mijn artikel wil ik nu in een kritiek op Dretskes causale rationaliteitstheorie ook dit aanvechten. Ik ga daarbij uit van het volgende citaat:

"(1) To say that the thermostat turned the furnace on because the room temperature dropped to 68o is like saying that the duke stood up because the queen entered the room. (2) To say that an object, whether it be a person like the duke or an instrument like a thermostat, did something because of some (cotemporaneous) fact about its external surroundings is to give the triggering cause of the behavior. (3) In the duke’s case, the queen’s entry into the room caused in him a belief that the queen was entering the room – an internal state that, if things are working right, represents the queen’s entry into the room. In the thermostat’s case, the fall in room temperature brings about an internal condition – a condition that, if things are working right, represents the temperature in the room. In both cases this representation is harnessed to a motor control system. In the duke’s case it brings him to his feet. In the instrument’s case it switches on the furnace. (4) And in both cases we can ask about the structuring cause of this behavior – why the internal representation has this effect rather than some other effect; why this process rather than some other process is triggered by the external stimulus. When we seek an explanation of behavior in terms of the agent’s reasons, we are, I submit, always looking for a structuring cause" (id., 50; cursief van Dretske; mijn nummering).

In dit citaat vinden we alle elementen van Dretskes causale theorie van redenen terug. Voor mijn kritiek het belangrijkste is echter, dat Dretske hier een analogie trekt tussen wat hij noemt het "gedrag" van een thermostaat en het "gedrag" van een bepaalde persoon, in dit geval een hertog. Ik zou liever zeggen dat er, althans volgens Dretske, sprake is van een analogie tussen de bewegingen van een mechanisme dat automatisch op veranderingen in de buitenwereld reageert en de handelingen van een persoon in relatie tot zijn omgeving. Dat Dretske beide gelijkstelt, brengt hem in de problemen, zoals we zullen zien, en hier ligt dan ook de kern van mijn kritiek. Voor ik die in detail formuleer, wil ik evenwel eerst het citaat wat nauwkeuriger bekijken. Ik zie dan vier punten van overeenstemming met betrekking tot beide "gedragingen", zoals door Dretske beschreven en wel (vgl. de nummering in het citaat):

1) Het "omdat" dat aangeeft waarom een thermostaat op een temperatuurverandering reageert komt overeen met het "omdat" waarom de hertog voor de koningin opstaat.

2) Beide omdats verwijzen naar een directe oorzaak.

3) In beide voorbeelden is er sprake van het ontstaan van een interne voorwaarde die een gebeurtenis in de buitenwereld representeert en (mede) een beweging in gang zet.

4) Zowel aan wat de thermostaat doet als aan wat de hertog doet, ligt een structurerende oorzaak ten grondslag: de "redenen" van het "gedrag".

Bij mijn bespreking van deze punten wil ik de thermostaat resp. de hertog symbool laten staan voor twee werelden, namelijk de wereld van de dingen en de wereld van de personen. Mij lijkt dat dit aansluit bij Dretskes bedoeling en dat hij hier met opzet uit elk van beide werelden een voorbeeld heeft gekozen, waarvan hij dan vervolgens de naar zijn mening aanwezige overeenkomsten laat zien. Op deze manier zijn we terug bij de aloude dualismediscussie, waarbij de vraag aan de orde is of de wereld van de objectsamenhangen in de natuur al dan niet onderscheiden moet worden van de wereld van de relaties tussen redelijke subjecten (zie Beckermann 1977, 19). Op deze discussie ga ik hier niet in (zie Bij de Weg 1996). Mij gaat het om de argumentatie van Dretske. Mijn vraag is dan: Is hier werkelijk sprake van de overeenstemming die Dretske ziet? Ik wil dit in het volgende nagaan. Daarbij stel ik achtereenvolgens in 2.1 en 2.2 de onder 1) en 3) genoemde analogieën aan de orde en daarna gezamenlijk die onder 2) en 4) in 2.3.

 

2.1. Dretske ziet een overeenstemming tussen het "because" dat aanduidt waarom een zichzelf regulerend mechanisme functioneert en het "because" waarom iemand handelt. Hij geeft dit aan in de eerste zin van het citaat hierboven. Het "is like saying" in deze zin is echter nog zwak uitgedrukt, als het gaat om deze overeenstemming aan te geven, want in het vervolg van zijn betoog laat Dretske er geen twijfel over bestaan: Er is geen principieel verschil tussen het eerste "because" en de daar achterliggende "cause" en het tweede. Dit blijkt overigens ook direct uit de volgende zin uit het citaat, die ik onder 2.3 zal behandelen. Maar is er werkelijk geen verschil tussen het eerste because (vanaf nu algemeen "because I", dus los van het specifieke voorbeeld) en het tweede because (vanaf nu eveneens algemeen "because II")? Ik wil dit eens nagaan. Hier bij de behandeling van punt 1) kijk ik vooral naar de linguïstische aspecten van dit probleem. Bij de behandeling van punt 3) breng ik mijn analyse in verband met de representationele aspecten van Dretskes causale rationaliteitstheorie.

Wat de linguïstische aspecten betreft is het probleem of we werkelijk hetzelfde bedoelen met het "because I" en het "because II" in de aangehaalde zin. Daarbij ga ik ervan uit dat achter dit "because I" en "because II" bepaalde oorzaakbegrippen liggen, "cause I" en "cause II". Vraag is dan natuurlijk of deze beide begrippen samenvallen. Bij mijn kritiek op Dretske maak ik gebruik van een artikel van Gean uit 1966. Net als Dretske gaat Gean ervan uit dat verklaren vanuit redenen oorzakelijke verklaringen zijn, maar bij hem worden de relevante linguïstische aspecten duidelijker naar voren gehaald dan bij Dretske. Ik laat daarna zien dat mijn kritiek op Gean ook van toepassing is op Dretske.

Gean geeft drie overwegingen waarom verklaringen vanuit redenen causaal zijn. Alleen de eerste is hier relevant. Deze sluit aan bij het argument van Dretske in de eerste zin van het citaat aan het begin van § 2 en luidt als volgt: "… causal idioms which are appropriately used to speak of a causal relationships elsewhere are often used to request, mention or allude to an agent’s reason for action" (Gean 1966, 674). Gean geeft vervolgens vier voorbeeldzinnen, waarvan ik er hier twee aanhaal:1

(1) What caused him to leave the party so early?

(2) The nice weather is one of the things which caused me to come here.

(ibid.). Mijn vraag is: Wat bedoelt Gean met deze twee voorbeelden? Oftewel voor (1): Wat voor antwoord, of liever wat voor soort antwoord verwacht Gean op deze vraag? En voor (2): Wat is de (aard van de) invloed van het weer op mijn komen? Het probleem hoe deze vragen te beantwoorden wordt des te duidelijker, als we deze twee voorbeeldzinnen in het Nederlands vertalen. Berk doet het bij zijn vertaling van Geans artikel in het Duits in Beckermann (1977, 203) als volgt:

(1D) Was ist die Ursache dafür, daß er das Fest so früh verließ?

(2D) Das schöne Wetter ist eine der Ursachen, warum ich hierher gekommen bin.

In overeenstemming hiermee kom ik dan tot de volgende Nederlandse vertalingen:

(1N) Wat was de oorzaak dat hij zo vroeg het feest verliet?

of minder fraai:

(1N') Wat veroorzaakte dat hij zo vroeg het feest verliet?

 

(2N) Het mooie weer is één van de oorzaken waarom ik hier gekomen ben.

of ook:

(2N') Het mooie weer veroorzaakte mede mijn komst hiernaartoe.

Dat we in deze zinnen van "oorzaak"/"veroorzaken" spreken, doet zowel in het Nederlands als in het Duits echter op zijn minst merkwaardig aan. In het Nederlands zou men normalerwijze hier het woord "reden" verwachten, in het Duits het woord "Grund". Maar dit wijst erop dat men bij deze voorbeelden iets anders bedoelt naar gelang men het woord "reden" (c.q. "Grund") gebruikt of het woord "oorzaak" ("Ursache"), want anders zouden de woorden "Grund" en "Ursache" resp. "reden" en "oorzaak" volledig uitwisselbaar zijn. Dat we inderdaad iets anders bedoelen zien we als we mijn beide vragen van zonet gaan beantwoorden. In het Nederlands of het Duits tenminste denken we bij een antwoord op 1N/1N' of 1D aan een fysieke gebeurtenis of een andere gebeurtenis waaraan actor hoe dan ook geen weerstand kon bieden: Dat actor het feest verliet is iets wat hem overkomt. Dat we in 1N/1D van "oorzaak/Ursache" spreken klinkt in deze talen zelfs zo vreemd, dat het moeilijk is een reële situatie te bedenken, waarbij niet het feest zelf ook ten einde is (maar een feest dat ten einde is, kan men niet "verlaten"). De Nederlandse en Duitse vertalingen van (1) roepen de gedachte op aan een brand of de instorting van de feestzaal. Maar mogelijk moeten we denken aan een fysieke instorting van actor (hartaanval, flauwte) die anderen ertoe bracht "actor" naar een ziekenhuis te brengen. Of actor werd de feestzaal uitgezet, omdat hij ruzie maakte.2 We krijgen echter een andere situatie als we in (1N) het woord "oorzaak" vervangen door "reden" of (1N') veranderen in "Wat bracht hem ertoe het feest te verlaten?", waarin eveneens een reden gesuggereerd wordt. Beide zinnen klinken natuurlijk in het Nederlands en doen een antwoord in termen van een overweging plus keuze van actor verwachten: Actor had ook op het feest kunnen blijven (hoewel het de vraag is of dat "redelijkerwijze" te verwachten was), maar actor maakt de keuze om weg te gaan. De sfeer bevalt hem niet, of hij krijgt een telefoontje dat zijn vrouw een min of meer ernstig ongeval heeft gehad of hij wordt als arts weggeroepen.

Het antwoord op mijn tweede vraag loopt ongeveer langs dezelfde lijnen: Ook hier verwachten we bij 2N/2N' in het Nederlands (en overeenkomstig bij 2D in het Duits) dat mij in verband met het weer iets overkomen is, dat mij veroorzaakte dit weer te ontvluchten, waarbij het ook hier andermaal moeilijk is een "redelijk" voorbeeld te bedenken, omdat actor al gauw de keuze heeft om de drang het weer te ontvluchten weerstand te bieden. Maar om het verschil duidelijk te maken, naar gelang men in het Nederlands hier van "oorzaak" of "reden" spreekt: Als actor in dit voorbeeld over "oorzaak" of "veroorzaken" spreekt, dan bedoelt zij misschien dat zij bij dit weer last van hooikoorts heeft of dat zij slecht tegen de warmte kan en daarom naar een plaats is gegaan, waar de omstandigheden gunstiger zijn. Verwijst actor naar haar redenen, dan zegt ze dit misschien op het moment dat ze aan het strand ligt, of ze maakt graag een boswandeling bij dit mooie weer, iets wat actor kan doen of laten, maar wat ze typisch graag bij dit mooie weer doet.

Het zojuist aangegeven verschil tussen "oorzaak/Ursache" enerzijds en "reden/Grund" anderzijds komt niet alleen in de twee sterk verwante talen Nederlands en Duits voor. We treffen het bijvoorbeeld ook aan in het Japans. Het Japans maakt een onderscheid tussen enerzijds "riyuu" of "wake", wat beide overeenkomt met het Nederlandse "reden", en anderzijds "genin" oftewel "oorzaak". Het betekenisverschil tussen beide begrippen valt grotendeels samen met dat in het Nederlands. In het Japans spreekt men van "riyuu" (of "wake") als iemand iets bewust doet, "genin" sluit een bewuste handeling juist eerder uit. "Genin" verwijst naar een gebeuren van dingen of ook naar de oorsprong van dingen die gebeuren, "riyuu" verduidelijkt de omstandigheden hoe iets plaatsvindt, het verwijst naar hoe iets is. Wel kunnen beide begrippen in zoverre verwisseld worden, dat het gebruik er van afhangt hoe de spreker tegen iets aankijkt: of wat een persoon doet een activiteit van hem- of haarzelf is of hem of haar gedaan wordt. Maar dit onderscheid geldt evenzeer voor het Nederlands en andere talen.

De betekenis en het gebruik van het woord "pritsjina" in het Russisch verschilt niet sterk van die van het woord "cause" in het Engels, tenminste in die zin dat net als in de voorbeelden van Gean in het Russisch normalerwijze het woord "pritsjina" gebruikt wordt, ongeacht of er een oorzaak of een reden wordt bedoeld. In zinnen als:

(R1) De regen was de oorzaak van de overstromingen

(R2) De regen was de reden dat ik thuisgebleven ben

zal een Rus zowel ter vertaling van het woord "oorzaak" als van het woord "reden" "pritsjina" gebruiken. Toch is er een verschil. In het Russisch hebben we namelijk ook nog het woord "osnowanie", dat zoiets betekent als "fundament", "grondslag", "beweegreden" of "voldoende rechtvaardiging" en in (R2) is het wel, in (R1) niet mogelijk om "pritsjina" door "osnowanie" te vervangen, zij het dat dit ongebruikelijk is.

Gaan we nu weer naar de voorbeeldzinnen van Gean en zijn gevolgtrekkingen eruit, dan kom ik tot het volgende: Voor Gean was de hulling van de vraag naar actors redenen in een causale terminologie kenmerkend voor de vraag naar actors redenen in het algemeen. Op grond daarvan concludeerde hij dat een verklaring vanuit redenen een soort causale verklaring is. Gean ging daarbij uit van het gebruik van "cause" in het Engels. Een vergelijking met andere talen laat zijn conclusie echter niet toe. Deze is gewoon een artefact van het Engels! Alleen omdat het Engels naar het lijkt "causale" termen gebruikt om te verwijzen naar redenen en om verklaringen vanuit redenen op te stellen (althans dat deze gebruikt kùnnen worden), mogen we niet concluderen dat een verklaring vanuit redenen een soort causale verklaring is. In andere talen worden de begrippen "oorzaak" en "reden" duidelijk onderscheiden. Dit wijst erop dat er wel degelijk een verschil tussen beide bestaat, of laat op zijn minst de mogelijkheid hiertoe open. Helemaal al kunnen we niet stellen, zoals Gean doet, dat een causale terminologie vaak gebruikt wordt om naar redenen te verwijzen. Naar redenen verwijzen doet men niet alleen in het Engels. Er bestaan in ieder geval talen waarin een causale terminologie nu eenmaal niet gebruikt wordt om naar redenen te verwijzen en daarvoor ook niet gebruikt kàn worden. Vergelijkt men het Engelse woord "cause" met het overeenkomstige woord in het Nederlands, Duits of Japans, dan moeten we concluderen dat "cause" in veel ruimere zin gebruikt wordt dan de diverse equivalenten in deze talen. Uit de vergelijking zien we dat "cause" twee betekenissen heeft. Enerzijds heeft het een betekenis die min of meer overeenkomt met het Nederlandse "oorzaak", Duitse "Ursache" of Japanse "genin". Ik wil dit de "enge betekenis" van cause noemen, oftewel "cause in enge zin" (cause i.e.z.). Dit "cause" staat tegenover het Nederlandse "reden", Duitse "Grund", Japanse "riyuu" of "wake" maar óók tegenover het Engelse "reason". Want het Engels heeft wel degelijk een woord om naar redenen te verwijzen, zoals natuurlijk ook Gean wist (zie zijn 1966). Het begrip "reden" staat echter niet onder maar naast het "cause i.e.z.". Het is niet een bepaald soort "cause i.e.z." maar geeft iets anders aan.

Daarnaast heeft het Engelse "cause" echter ook een wijdere betekenis. Het wordt óók gebruikt als overkoepelende term voor "cause i.e.z." èn "reden". We kunnen dit begrip "cause in algemene zin" (cause i.a.z.) noemen. De fout van Gean in zijn artikel is nu dat hij het "cause i.e.z." en het "cause i.a.z." met elkaar verwart. Als Gean (zie het citaat van p. *) spreekt van "causal idioms", dan verwijst dit kennelijk naar "cause i.a.z."; heeft hij het over "causal relationships", dan kan niets anders dan "cause i.e.z." bedoeld zijn. Maar dan is het niet juist, zoals Gean aangeeft, dat "causal idioms" geschikt zijn "to speak of causal relationships", noch dat het formuleren van redenen met behulp van "causal idioms" wijst op de causale aard van redenen.3

Met deze achtergrond keer ik terug naar de overeenstemming die Dretske ziet tussen het "because" dat aangeeft waarom de thermostaat de verwarming aanzet (mijn because I) en het "because" dat aangeeft waarom de hertog opstaat (because II). Volgens Dretske is er tussen beide because-en geen verschil, wat hij dan verderop probeert te onderbouwen met zijn representationele theorie van verklaren. Mijns inziens is Dretske hier echter in een linguïstische valkuil terechtgekomen tengevolge van de uiterlijke gelijkenis tussen beide, waardoor hij de inhoudelijke verschillen over het hoofd heeft gezien. Uiteraard wil ik niet zeggen dat een native speaker van het Engels het verschil tussen beide because-en niet kan zien, maar het ligt voor de hand het te veronachtzamen, omdat er in beide gevallen in het Engels hetzelfde woord gebruikt wordt. In het licht van mijn analyse hierboven wil ik daarom nog eens naar de eerste zin van het citaat aan het begin van §2  kijken. Hiertoe vertaal ik deze in het Nederlands, vooral ook om problemen met de dubbele betekenis van "(be)cause" te vermijden en zo gemakkelijker een antwoord te krijgen op de vraag of er in beide gevallen al dan niet een zelfde causaal verband tussen de beschreven verschijnselen is. Dit kan nu eenmaal niet afhankelijk zijn van de gehanteerde taal. Sluiten we met onze vertaling zo dicht mogelijk aan bij het Engels, dan krijgen we de volgende zin:

Zeggen dat de thermostaat de verwarming aandeed, omdat de temperatuur tot 68o daalde, is net zoiets als zeggen dat de hertog opstond, omdat de koningin binnenkwam.

Uiteraard gaat het er hier niet om of mijn vertaling voor "like" de meest juiste is, maar het gaat om de beide "omdats" en de daardoor uitgedrukte verbanden. Om deze laatste duidelijk naar voren te halen splits ik de zin als volgt op:

I - De thermostaat deed de verwarming aan, omdat de temperatuur tot 68o daalde.

II - De hertog stond op, omdat de koningin binnenkwam.

Hierbij stel ik dan ter vervanging van het nu ontbrekende "is like" de volgende vraag: Is de aard van de in I en II door "omdat" uitgedrukte verbanden in beide zinnen aan elkaar gelijk?

Een eenvoudige manier om de vraag te beantwoorden is de beschrijving van de verbanden te herformuleren. Levert dit bij I en II een verschillend resultaat, dan wijst dit op een mogelijk verschillende aard van de verbanden.

In het Nederlands zijn er vijf zogeheten voegwoorden van "causaliteit": omdat, doordat, aangezien, daar en vermits. Aangezien deze laatste twee schrijftaal resp. regiotaal zijn, laat ik die buiten beschouwing, ook omdat de andere drie voldoende verschillen (zie ANS 655-656). Van deze drie is "omdat" redengevend èn oorzaakaanduidend, "doordat" kan niet gebruikt worden voor zinnen die duidelijk redengevend zijn en "aangezien" niet voor zinnen die duidelijk oorzaakaanduidend zijn.4 Gezien de dubbele betekenis van "omdat" is dit voegwoord zowel in I als in II correct gebruikt. Als we echter "omdat" door "doordat" resp. "aangezien" vervangen, hebben we dan nog steeds te maken met correcte zinnen? Als we dit doen, dan krijgen we het volgende:

Ia - De thermostaat deed de verwarming aan, doordat de temperatuur tot 68o daalde.

 b - De thermostaat deed de verwarming aan, aangezien de temperatuur tot 68o daalde.

IIa - De hertog stond op, doordat de koningin binnenkwam.

  b - De hertog stond op, aangezien de koningin binnenkwam.

Ia is een correcte zin. Ib is echter uitgesloten. Het woord "aangezien" roept de gedachte op aan een persoon die overwegingen maakt om iets te doen. Een thermostaat kan echter geen overwegingen maken of hij al dan niet de verwarming aanzet. Het is een automatisch reagerend mechanisme. Op overeenkomstige gronden maar dan juist omgekeerd is bij II zin b juist wel een correcte zin maar is a niet correct. IIa roept de gedachte op van een als een automaat reagerende hertog, bijvoorbeeld doordat de koningin bij haar binnenkomst op een drempel stapt, waardoor een mechanisme in werking wordt gezet, dat een naald in het achterste van de hertog steekt, waardoor die van schrik opspringt. Omdat "aangezien" niet in zinnen gebruikt kan worden die duidelijk oorzaakaanduidend zijn en "doordat" niet in zinnen die duidelijk redengevend zijn, wijst dit erop dat het "omdat" in I verwijst naar een oorzakelijk verband en het "omdat" in II naar een redengevend verband.

Keren we nu weer terug naar de oorspronkelijke Engelse zin van Dretske, die het uitgangspunt vormde van mijn analyse in deze paragraaf, dan kunnen we concluderen dat wat Dretske daar stelt op grond van mijn voorgaande linguïstische analyse niet te handhaven is. Deze linguïstische analyse wijst er op dat het verband tussen het aanzetten van de verwarming door de thermostaat en de daling van de temperatuur een ander is dan dat tussen het opstaan van de hertog en het binnenkomen van de koningin, ook al gebruikt het Engels voor het aanduiden van beide dezelfde terminologie. We moeten een onderscheid maken tussen verbanden die oorzaken aangeven en verbanden die redenen aangeven. Vergelijking met andere talen, waarbij ik om vanzelfsprekende redenen vooral gebruik heb gemaakt van het Nederlands, wijst duidelijk in deze richting.

 

2.2. In 2.1 heb ik laten zien dat er een verschil is tussen oorzaakaanduidende en een redengevende begrippen en verbanden en dat redenen niet een bepaald soort oorzaken (i.e.z.) zijn. Waar dit verschil in zit is echter niet aan de orde gekomen. Ik wil daarom nu dieper ingaan op Dretskes theorie van de representationele systemen en de rol van de "overtuigingen" (beliefs) voor het verklaren van gedrag en wel door de derde van de overeenkomsten die Dretske ziet tussen het "gedrag" van de thermostaat en dat van de hertog te onderzoeken. Deze derde overeenkomst bestaat volgens Dretske daarin dat er in beide gevallen sprake is van een interne toestand die een bepaalde externe toestand representeert en dat de hertog resp. de thermostaat op grond van deze representatie doet wat hij doet (vgl. citaat). Wat wil het echter zeggen dat een bepaalde interne toestand een bepaalde externe toestand representeert en dat er een bepaald gedrag optreedt op grond van deze representatie? Om dat duidelijk te maken wil ik wat uitgebreider ingaan op de verklarende rol van overtuigingen bij Dretske dan ik hierboven heb gedaan.

We zagen daar dat Dretske cognitieve factoren ("overtuigingen") ziet als indicatoren van toestanden die extern zijn aan een organisme dat een bepaald gedrag vertoont. Als nu een beweging M van een organisme wordt beloond als omstandigheid F aanwezig is en een bepaalde overtuiging C is in dat geval een indicator van F, dan zal C door dat organisme uitgekozen worden om M te veroorzaken. Hiermee krijgt C vanwege het indiceren van F de functie de F te representeren. Op grond van het feit dat C F representeert kan C dan M veroorzaken en hieraan ontleent C zijn betekenis of zin ("meaning"), dat is wat de representatie zegt of indiceert (of verondersteld wordt te zeggen of te indiceren) met betrekking tot wat het representeert. Door deze zin krijgt C ook zijn relevantie voor het verklaren van gedrag. Dat niet F maar C als representatie van F M veroorzaakt, blijkt bijvoorbeeld daaruit dat C F ook ten onrechte kan representeren en toch M kan veroorzaken. We zagen echter al dat dit nog maar de helft is van Dretskes causale theorie van representatie, want wil M werkelijk optreden, dan hebben we ook nog een conatieve voorwaarde ("verlangen") nodig. Het zou bijvoorbeeld wel kunnen voorkomen dat een rat gaat eten, zo gauw hij voedsel ziet, maar normalerwijze gebeurt dit niet: De rat moet ook honger hebben. Dat de rat de overtuiging C heeft voedsel (F) te zien, is daarom niet voldoende voor het gaan eten (M), zolang het dier geen honger heeft. Vandaar dat er voor een M ook nog aan een bepaalde conatieve voorwaarde D voldaan moet zijn, in dit geval een verlangen naar voedsel van de rat. De functie van C is dan ook niet zonder meer F te representeren maar de aanwezigheid van die voorwaarden te indiceren die bij de juiste motivationele toestand tot M zullen leiden. We kunnen deze motivationele toestand (D) omschrijven als de ontvankelijkheid van het organisme voor een bepaald resultaat R, waarbij R het resultaat van een M is. Ook D wordt daarmee een oorzaak van M en wel omdat M als resultaat R heeft. Daarmee heeft ook D verklarende relevantie voor gedrag (Dretske 1988, 79-131; 1990).

Verder belangrijk voor Dretskes representationele theorie is zijn onderscheid tussen symbolen en tekens of natuurlijke tekens. Zowel symbolen als (natuurlijke) tekens hebben een indicatorfunctie. Het verschil tussen beide is echter dat een symbool zijn indicatorfunctie door ons krijgt toegekend, terwijl een teken op natuurlijke wijze indiceert en een objectieve relatie heeft tot wat het indiceert. Een symbool is bijvoorbeeld een kruisje op een schoolbord dat een bepaalde speler van zijn team aanduidt bij de taktiekbespreking van de trainer, terwijl een rondje zijn directe tegenstander aangeeft. De trainer had dit net zo goed omgekeerd kunnen doen of met andere figuurtjes, want de relatie tussen een symbool en wat het aanduidt is willekeurig en berust op afspraak oftewel toekenning. Natuurlijke tekens zijn bijvoorbeeld prenten in de sneeuw die laten zien dat er een vos is langs gekomen, of de vingerafdrukken die de inbreker heeft achtergelaten. Deze sporen en vingerafdrukken indiceren, aldus Dretske, de vos resp. de inbreker ook als we er niets meer over zeggen of afspreken, meer nog ook als niemand ze ziet (Dretske 1988, 52-54).

Het onderscheid tussen symbool en natuurlijke tekens gebruikt Dretske om drie typen representationele systemen te kenschetsen. Daarbij verstaat Dretske onder representationeel systeem (RS) "any system whose function it is to indicate how things stand with respect to some other object, condition, or magnitude" (id., 52). Zo kan een RS tot functie hebben om aan te geven of O zich in toestand A of B bevindt en daartoe over twee indicatoren beschikken, zeg a en b, die respectievelijk aangeven of O in toestand A of B is. a en b zijn dan de elementen van RS die representeren dat O in hetzij A hetzij B is. Hoe het indiceren precies gebeurt, bepaalt van welk type systeem sprake is. Dretske spreekt van een RS van type I als de elementen van RS niet op intrinsieke wijze representeren maar hun representationele functie ontlenen aan ons, de makers van het systeem: de elementen van RS I zijn symbolen. Voorbeelden van dit type zijn landkaarten, diagrammen, veel verkeerstekens, gebaren. Zo berust waar een element op een landkaart voor staat, op afspraak tussen de gebruikers en makers en staat gewoonlijk voor de duidelijkheid in een hoek van de kaart aangegeven (id. 53-54).

Elementen van representationele systemen van het type II zijn daarentegen tekens. Ze verwijzen niet op willekeurige volgens afspraak of door de maker bepaalde wijze maar op natuurlijke wijze. Tekens kunnen echter tegelijkertijd wel verschillende toestanden indiceren. Zo indiceert het pijltje van de benzinemeter in een auto de hoogte van het vloeistofniveau in de benzinetank maar ook de stroomspanning in het apparaat of de druk op de moeren van de tank en zo mogelijk nog een aantal zaken meer. Meestal zijn we echter maar in één functie van een benzinemeter geïnteresseerd: dat hij aangeeft hoeveel benzine er in de tank van de auto zit. Dit laatste is gewoonlijk wat een benzinemeter verondersteld wordt aan te geven en waarvoor het apparaat voor ons van belang is. Dit is echter niet noodzakelijkerwijze zo. Kenmerkend voor een RS II is weliswaar dat de indicatie van de elementen op natuurlijke wijze gebeurt, maar wat deze representeren, wat een RS II als functie heeft om te indiceren, bepalen we zelf. Omdat anders dan bij een RS I de indicatie van de elementen op natuurlijke wijze plaatsvindt, is de mogelijkheid om een RS II een bepaalde functie toe te kennen beperkt. Bij een RS I zijn indicatie en representatiefunctie beide extrinsiek of conventioneel, bij een RS II geldt dit alleen voor de representatie, de indicatie is intrinsiek (id. 59-62).

Het is evenwel mogelijk dat elementen van een RS niet alleen op natuurlijke wijze een bepaalde toestand indiceren maar deze ook op natuurlijke wijze representeren. Dit is kenmerkend voor natuurlijk representatiesystemen (type III). Systemen van dit type hebben hun eigen intrinsieke indicatorfunctie die door het systeem zelf waartoe ze behoren gebruikt worden. Dit maakt het lastig van zo’n systeem een voorbeeld te geven waarvan men zeker weet dat het inderdaad een RS III is. Bij een RS II als een benzinemeter zijn wij degenen die een benzinemeter de functie geven te indiceren hoe vol de benzinetank is. Maar hoe weten wij dat kikkers eetbare insecten indiceren en niet alles wat voorbijvliegt inclusief de steentjes die wij in de richting van de kikker gooien? Of dat een bepaalde soort in zee levende bacterie over een indicator beschikt die tot functie heeft de relatief zuurstofarme omgeving nabij de bodem van de zee te indiceren en niet de magnetische noordpool. Maar als dit inderdaad zo is, dan hebben we hier twee voorbeelden van een RS III. In het geval van de kikker kunnen we in een laboratorium voorbijvliegende eetbare insecten met behulp van voorbijbewegende schaduwen imiteren. In dat geval indiceren de neurale indicatoren van de kikker niet langer meer eetbare insecten zoals in natuurlijke omstandigheden. Ervan uitgaande dat het de functie is van de neurale detectoren om de aanwezigheid van eetbare insecten te indiceren, worden de schaduwen foutief gerepresenteerd als eetbare insecten. Er is sprake van misrepresentatie en de kikker beschikt, aldus Dretske, over wat analoog is aan een foutieve overtuiging (false belief).5 In het andere genoemde voorbeeld gaat het om in zee levende bacteriën die over interne magneten, magnetosomen, beschikken, die indiceren waar de noordpool zich bevindt. Op het noordelijk halfrond is dat tevens de richting van de zeebodem, waar zich het zuurstofarme milieu bevindt dat deze bacteriën nodig hebben om te overleven. Het lijkt daarom redelijk te veronderstellen (maar Dretske wijst erop dat dit omstreden is), dat we de functie van deze magnetische indicatoren kunnen beschrijven als het indiceren van het zuurstofarme leefmilieu. Op grond van deze indicatie beweegt de bacterie zich in de richting van de zeebodem. Als we de bacterie (die van nature alleen op het noordelijk halfrond voorkomt) echter naar het zuidelijk halfrond brengen, dan treedt er, aannemende dat de veronderstelling juist is, een misrepresentatie op. Dit komt omdat op het zuidelijk halfrond de indicatie van een magnetosoom niet langer het zuurstofarme milieu representeert. De magnetische noordpool bevindt zich hier namelijk niet langer in de richting van de zeebodem maar opwaarts (waardoor de bacteriën zich naar het zeeoppervlak bewegen, waar ze niet langer kunnen overleven) (id., 62-70).

Met deze achtergrond kunnen we de verklarende rol van redenen voor gedrag volgens Dretske nader bekijken. Bij mijn bespreking en kritiek beperk ik me tot de kern en ga ik vooral de rol van een bepaald soort redenen, namelijk overtuigingen, na. De invloed van actors verlangens en eventuele andere redenen laat ik buiten beschouwing. Mijn kritiek laat zich echter gemakkelijk naar een kritiek op de rol van deze andere redenen zoals Dretske die ziet uitbreiden.

De kern van wat Dretske wil laten zien is wat de causale rol van zin of betekenis (meaning) is, (id., 80) of zoals hij het ook formuleert "to understand how something’s having meaning could itself have a physical effect" (id., 83). Ik wil dit nog even verduidelijken. Als Dretske spreekt van de causale rol van zin of betekenis, dan houdt dit voor hem een afbakening naar twee kanten in. Enerzijds moet "meaning" (anders dan in het geval van het voorbeeld van de sopraan) een relevante rol spelen in een verklaring. Voor redenen wil dit zeggen dat we moeten vragen naar de relevantie van redenen als redenen. Anderzijds ziet Dretske geen verklarende rol weggelegd voor zin of betekenis als zodanig: de betekenissen zelf kunnen volgens Dretske geen oorzaken zijn, want redenen zijn geen tijdruimtelijke gebeurtenissen die gebeurtenissen kunnen veroorzaken. Vandaar dat Dretske concludeert: "in exploring the possibility of a causal role for meaning one is exploring the possibility, not of the meaning itself being a cause, but of a thing’s having meaning being a cause or of the fact that something has meaning being a causally relevant fact about the thing" (id., 80; cursief van Dretske). Verder blijkt uit het voorlaatste citaat dat het Dretske bij de vraag naar de causale rol van betekenis erom gaat na te gaan hoe het hebben van een betekenis een bepaald effect kan bewerkstelligen. Het begrijpen van deze causale rol is voor Dretske het begrijpen van het mechanisme van de causale werking. Zouden we vragen naar het wat van de betekenis dan zouden we het probleem slechts verschuiven.

Om uit te leggen hoe redenen in een RS III werkzaam zijn gaat Dretske eerst in op de werking van een RS II zoals een thermostaat. Bij zijn uitleg maakt hij gebruik van de volgende figuur:

In deze figuur hebben de letters dezelfde betekenis als eerder in de tekst. Omdat C de externe toestand F indiceert en representeert, geeft deze figuur weer hoe C de beweging M veroorzaakt en verklaart (id., 84).

Vraag is nu hoe C aan zijn indicatorfunctie komt. In het geval van de thermostaat is C daar,

laten we aannemen, een bimetalen strip die als de kamertemperatuur beneden de 68o Fahrenheit daalt (=F) een elektrische stroom laat lopen, waardoor de verwarming wordt aangezet (=M). We kunnen dat ook zo zeggen, dat het de zin of betekenis van C is de temperatuur aan te geven en dat het feit dat dit zo is verklaart of C al dan niet het aanzetten van de verwarming veroorzaakt. Omgekeerd dat C het aanzetten van de verwarming veroorzaakt, omdat C een bepaalde betekenis heeft, maakt dat C inderdaad een indicerende functie heeft voor wat het indiceert (nl. de kamertemperatuur) en inderdaad een representatie is. Of zoals Dretske zegt: "An internal indicator acquires genuine (albeit derived) meaning … by having its natural meaning, the fact that it indicates F, determine its causal role in the production of output" (id., 87). Als RS II heeft de thermostaat zijn representatieve functie, zijn indicatiefunctie, zijn causale rol bij het aanzetten van de verwarming echter niet van zichzelf. De thermostaat doet wat hij doet, omdat wij hem zo gemaakt hebben en gebruik hebben gemaakt van de eigenschappen van bepaalde materialen. Hierin verschilt een RS II zoals een thermostaat van een RS III, dat immers niet functioneert, omdat het door ons zo gemaakt is, maar dit op natuurlijke wijze doet. Toch vindt Dretske controlesystemen als de thermostaat illustratief voor de uitleg van de werking van een RS III, want, aldus Dretske, "they suggest a way that the relations underlying genuine meaning, the indicator relations out of which Type II and Type III representations are fashioned, might figure in the explanation of a state’s (C’s) acquiring certain control duties and, hence, in the explanation of the behavior (C’s causing M) of the containing system (the system of which C is a part)" (id., 88). Voor Dretske is dan ook de structuur van de thermostaat zoals weergegeven in figuur 1 het prototype van zowel een RS II als een RS III. Verschillen tussen beide zijn daarop terug te voeren dat een RS III niet ontworpen is maar op natuurlijke wijze is ontstaan (vgl. id., 88-89).

Hoe zo’n RS III kan ontstaan is in dit verband niet van belang. De details hiervan zijn ook niet allemaal even duidelijk. Dretske kent ze tenminste niet en voor zover hij ze wel kent, duidt hij ze alleen maar aan. Veelal ontstaat een RS III echter via leerprocessen en meer specifiek via het operante of instrumentele leren. Daarbij komt natuurlijk dat het RS III van de bovenstaande figuur slechts een eenvoudige versie ervan is. Ik ben niet ingegaan op de rol die Dretske de verlangens toewijst en bovendien wijst hij er op dat men verder met een complexiteit van cognitieve factoren en conatieve voorwaarden te maken heeft. Dit neemt niet weg dat het model van figuur 1 misschien te simpel is maar wel het principe van het RS III weergeeft. Ik neem de figuur dan ook hierna tot uitgangspunt van mijn analyses.

Laten we daartoe weer naar Dretskes vergelijking tussen een thermostaat en de eerbetoon betuigende hertog kijken. In beide gevallen hebben we te maken met een representatiesysteem, resp. een RS II en een RS III. Beide systemen verschillen weliswaar in de wijze waarop de representatie tot stand komt maar niet in hun structuur en het is in de eerste plaats de structuur waar het me om gaat. Ik ga hier overigens niet op de vraag in of een RS III zoals Dretske dat ziet niet ergens bestaat of kan bestaan. Mij gaat het erom te laten zien dat het RS III ongeschikt is om handelingen als het opstaan van de hertog te verklaren (i.a.z.) en dat het verschil tussen "oorzaak" en "reden" anders ligt dan Dretske het laat zien.

Hoe de structuur van een RS II als een thermostaat eruit ziet, hebben we gezien. Met behulp van het citaat van Dretske op hierboven kunnen we het volgende RS III construeren voor het voorbeeld van de hertog die opstaat:

Op het eerste gezicht lijken we hier inderdaad een simpel verklaringsmodel voor de handeling van de hertog te hebben. Weten we nog een plaats in te ruimen voor een relevant motief voor de hertog,6 dan hebben we de representatietheoretische versie van het praktische syllogisme of ook van Davidsons primaire reden (een combinatie van een "pro attitude" en een "belief") gevolgd door een handeling (vgl. Dretske 1988, 109; Davidson 1989, 3-5). Redeneert men verder, dan kan men Dretskes benadering zien als de representatietheoretische onderbouwing van de door velen binnen de analytische handelingstheorie ondersteunde stelling dat er geen principieel verschil is tussen causale verklaringen van gebeurtenissen en intentionele handelingsverklaringen, of meer specifiek tussen causale gedragsverklaringen en intentionele handelingsverklaringen, of ook van de stelling dat "verstehen" niets anders is dan een bepaald soort verklaren.7 Door de structuur van het RS II te gebruiken om de structuur van een representatie van type III uit te leggen en te begrijpen gaat Dretske mijns inziens echter voorbij aan wat (ook volgens hemzelf!) het essentiële verschil is tussen type-II- en type-III-representatie, namelijk dat wat C representeert in het geval van een representatie van het type II van buitenaf bepaald wordt en in het geval van een type-III-representatie door het representerende systeem zelf. Dit wordt problematisch als dat wat door het representerende systeem wordt gerepresenteerd niet langer objectieve maar (inter)subjectieve feiten zijn, zoals wanneer het model van het RS III (en daarmee in feite RS II) gebruikt wordt om handelingen te verklaren.

Om dit duidelijk te maken ga ik terug naar Dretskes onderscheid tussen symbolen en natuurlijke tekens. Symbolen ontlenen, zoals we zagen, hun indicatieve functie daaraan dat wij ze die hebben gegeven. In die zin zijn ze (inter)subjectief. Ze vormen de indicatieve elementen van een RS I. Natuurlijke tekens zijn daarentegen "objectief" in hun relatie tot wat ze indiceren: de relatie bestaat onafhankelijk van ons. Ze vormen de indicatieve elementen van een RS II en een RS III. Neem echter het voorbeeld van een vogel die een bepaalde pikkende beweging maakt of van een rat die een hendel indrukt, omdat dit voedsel oplevert, voorbeelden die regelmatig door Dretske gebruikt worden bij de uitleg van zijn RS III. Maar wat is voedsel? Alles wat eetbaar is, kan men zeggen, en veel dieren hebben de gewoonte alles als eetbaar te zien als het niet oneetbaar (voor ze) is. Wat voedsel is, is een objectief feit en kan als zodanig in een RS III gerepresenteerd worden met behulp van natuurlijke tekens.8 Maar geldt dit ook voor mensen?9 Misschien zouden we voor mensen een RS III kunnen opstellen waarbij voedsel via een natuurlijke-tekenrelatie wordt gerepresenteerd om daarbij een eethandeling, althans een bepaald eetgedrag, te verklaren. Een probleem is echter dat wat eetbaar is nog geen voedsel is. Dit laatste wordt immers niet alleen bepaald door de fysieke aard van wat men wil eten en de constitutie van het menselijk lichaam, maar is ook afhankelijk van de bepaalde cultuur waartoe de mens behoort, van wie men het eetgedrag wil verklaren. Wat in de ene cultuur als lekkernij wordt beschouwd, geldt in de andere als oneetbaar of onappetijtelijk en hoogstens als dierenvoedsel ("tripes", hond). Dit kan zover gaan dat mensen gaan overgeven van wat anderen als delicatesse beschouwen. In bepaalde culturen worden bepaalde dingen niet gegeten, omdat dat niet zo "hoort", omdat het subjectief gezien geen voedsel is. Ook is wat men eet en vooral wie dat eet soms verbonden met statusaspecten. Daarmee is wat als eetbaar geldt niet meer louter objectief maar heeft een hoog symbolisch gehalte. Voedsel symboliseert status, beschaving, goede smaak enz. Desondanks is wat als eetbaar geldt of kan gelden gebonden aan een beperkende factor, namelijk dat het ook eetbaar moet zijn en dat is min of meer objectief bepaalbaar. Er blijft zo naar het lijkt een zekere ruimte om althans eetgedrag (maar ook eethandelingen?) met behulp van een objectieve relatie tussen natuurlijke tekens en voedsel als betekende te verklaren.

Of dit werkelijk zo is en zo ja wat de consequentie voor het RS is, wil ik hier niet nagaan. Anders ligt het echter in het geval van de hertog en de koningin. Ik heb dit voorbeeld in figuur 2 in aansluiting bij Dretske gereconstrueerd als een RS III. In het geval van het RS II van de thermostaat indiceert (en representeert, omdat wij dat zo bepaald hebben) de bimetalen strip (C) een bepaalde kamertemperatuur. Analoog hieraan is er een natuurlijke-tekenrelatie in het RS III van figuur 2 tussen onze overtuiging dat de koningin binnenkomt en het binnenkomen van de koningin (waarbij dan deze overtuiging dit binnenkomen niet alleen op natuurlijke wijze indiceert maar "van binnenuit" representeert en dit laatste niet alleen omdat iemand dit van buitenaf zo bepaald heeft). Dit is tenminste zo volgens Dretske. Het verschil met het RS II van de thermostaat of een RS III waarbij wat eetbaar is als voedsel gerepresenteerd wordt, is echter dat het geïndiceerde in het geval van de hertog en de koningin geen objectief bestaand feit, toestand of object is (zoals de kamertemperatuur, het eetbare), maar het geïndiceerde is (inter)subjectief. Koningin zijn is namelijk niet als eetbaar zijn een eigenschap die men heeft of niet heeft (zoals de koningin als mens hoe dan ook eetbaar is voor de leeuw), maar het is een eigenschap die een vrouw verleend wordt, wordt toegekend. Koningin is een vrouw, omdat anderen haar als koningin hebben ingewijd of haar deze titel via het huwelijk met een koning hebben gegeven. Maar evenzo kan haar de titel en waardigheid van koningin ook afgenomen en ontzegd worden. Dit gebeurt vrijwillig als de koningin aftreedt of als ze van de koning scheidt. Maar de koningin kan ook als koningin aan de kant gezet worden. Opstandige onderdanen (waartoe ook de hertog kan behoren) kunnen de republiek uitroepen en een president benoemen of ze kunnen een ander vorstenhuis als (voor hen) wettig vorstenhuis aanwijzen; anderen kunnen de machtswisseling weigeren te erkennen. Koningin zijn is voor een bepaalde vrouw dan ook geen intrinsieke, althans objectief bepaalbare eigenschap van haar voor haar onderdanen. Net zoals een symbool eigenschappen heeft omdat wij die het geven, is de koningin koningin omdat de onderdanen haar erkennen: De koningin is koningin voor haar onderdanen. Bovendien moet de erkenning voortdurend door haar onderdanen bevestigd worden: Behandelt niemand haar als koningin dan is ze ook geen koningin (vgl. Bij de Weg 1996, 57-58).

Nu gaat het er echter niet om of F (het binnenkomen van de koningin) of een eventueel element van F (de koningin) symbolisch van karakter is, of F een (inter)subjectief feit is, maar het gaat erom of wat de hertog doet (opstaan voor de koningin) verklaarbaar is met behulp van een RS III zoals dat van figuur 2. Want het is natuurlijk mogelijk dat de hertog op het binnenkomen van de koningin reageert alsof er van een objectief feit sprake is. Het gaat dus om de vraag of het mogelijk is om met een RS III handelingen te verklaren, ook al zijn die een reactie op (inter)subjectieve situaties en gebeurtenissen.10 Dit lijkt bijvoorbeeld het geval, als we naar een andere handeling van de hertog kijken en hem zelf als "thermostaat" laten fungeren. Stel de kamertemperatuur daalt tot 68o (=F), de hertog begint te rillen (C) en zet de verwarming aan.11 We kunnen dan wat de hertog doet (quasi-)verklaren12 met behulp van Dretskes representationele theorie en een schema opstellen à la de figuren 1 en 2. Of hier sprake is van een RS III of eventueel van een RS II is verder niet van belang. We hebben dan de objectieve situatie dat de temperatuur daalt (F), dat de hertog dit waarneemt (indicatie; hij gaat rillen) en dat er bij hem de overtuiging ontstaat dat hij het koud heeft (C); daarom zet hij de verwarming aan (M) (vgl. Dretske 1988, 84). Ook het geval van de ontmoeting van de hertog met de koningin lijkt op het eerste gezicht volgens dit patroon te verlopen: De koningin komt binnen (F), de hertog neemt dit waar (indicatie) en bij hem ontstaat de overtuiging dat de koningin binnenkomt (C) en hij staat op (M). Er is echter een belangrijk verschil met het geval dat de hertog de verwarming aanzet. Dat de temperatuur daalt is een objectief feit. Temperaturen stijgen en dalen ook zonder dat iemand dat waarneemt en ook zonder dat iemand vindt dat het warmer of kouder wordt (wat iets anders is dan dat mensen de temperatuur niet kunnen beïnvloeden; de temperatuurwisseling op zichzelf is objectief). We zagen echter zonet dat het koningin zijn van de vrouw die binnenkomt daarentegen geen objectieve, intrinsieke, maar een (inter)subjectieve eigenschap van haar is. Of de binnenkomende vrouw een koningin is voor de hertog (of niet), is zo omdat hij dat vindt en haar als zodanig erkent (of niet), of omdat op zijn minst anderen haar als zodanig erkennen, en op grond van deze (inter)subjectieve eigenschap dat de vrouw die binnenkomt voor hem koningin is, betuigt de hertog haar eer door op te staan. Zou niemand (inclusief de hertog) vinden dat deze vrouw koningin is, dan kan het weliswaar gebeuren dat zij binnenkomt en de hertog opstaat, maar niet dat hij dit doet omdat de koningin binnenkomt.

De (inter)subjectiviteit van het koningin zijn wordt nog duidelijker als we ervan uitgaan dat de koningin net is afgezet. Ze is op de vlucht. Weet de hertog dit als de vrouw binnenkomt? Stel hij weet dit niet. Staat hij dan op voor de koningin of voor "zo maar" een vrouw, een ex-koningin? Voor de hertog is ze dan misschien koningin maar niet voor degenen die haar afgezet hebben. Of stel de hertog is wel van de opstand op de hoogte. De vrouw komt binnen en de hertog is in dubio: als hij opstaat, erkent hij haar als koningin; begroet hij haar op andere wijze, dan sluit hij zich in feite aan bij de rebellie. Door wat hij doet, door zijn handeling, laat hij zien en bepaalt hij wat de vrouw voor hem is: koningin of geen koningin.13 De hertog kan ook hardop zeggen, wat hij door zijn handeling (al dan niet opstaan) tot uitdrukking brengt: "Majesteit, voor mij bent u nog steeds / niet meer de koningin". Uiteraard is de situatie van rebellie een grensgeval, maar het voorbeeld legt wel bloot wat normaliter niet zo aan de dag treedt maar wel gebeurt: onze handeling, die we doen "omdat" we geloven dat een bepaalde situatie F bestaat, is mogelijk een "gevolg" van de situatie F, maar bevestigt en constitueert ook deze situatie als de situatie F. F is "recursief" in de zin van Giddens (zie Bij de Weg 1996, 57). F gaat in de handeling in als situatie waarop actor reageert en is resultaat van de handeling, is input en output tegelijk of ook in zekere zin oorzaak en gevolg van wat actor doet.

Deze recursiviteit is ook de reden dat de structuur van het voorbeeld van de binnenkomende koningin een andere is dan die van het voorbeeld van de thermostaat of de hertog die reageert op de kamertemperatuur. In de laatste twee gevallen heeft de dalende temperatuur een bepaalde zin, namelijk dat het kouder wordt, en deze zin blijft ook behouden als de thermostaat de verwarming door een defect niet aanzet of de hertog om een of andere reden nalaat de verwarming aan te zetten. De zin die F heeft voordat er een handeling plaatsvindt is dezelfde als die nadat er een handeling heeft plaatsgevonden en ook zonder dat er een handeling plaatsvindt. We kunnen deze zin die de dalende temperatuur heeft, analoog aan het geval van de dubbele hermeneutiek, "enkel" noemen. De (inter)subjectieve zin van de binnenkomende koningin is echter "dubbel". De koningin heeft als "koningin" een bepaalde zin voor de hertog op grond van diens ervaringen uit het verleden: ze werd in het verleden door hem en anderen als koningin beschouwd en als koningin geëerd. Zo bezien is de vrouw inderdaad koningin. Deze zin verliest ze echter voor de hertog als hij niet voor haar opstaat of deze zin niet op een andere manier bevestigt. Slechts als de hertog opstaat (of een andere bevestigende handeling verricht), kunnen we zeggen dat (wat deze hertog betreft) de koningin binnenkomt. De zin die het koningin zijn van de vrouw ná de handeling van de hertog heeft, is in principe dan ook een andere dan vóór de handeling: de zin ná de handeling is de herbevestigde zin van vóór de handeling; òf het is bijvoorbeeld die van afgezette koningin of die van vrijwillig afgetreden koningin. Zin die door handelingen bevestigd moet worden is dan ook dubbel: Er is steeds een zin van F vóór en ná de handeling. De zin van F vóór de handeling draagt in potentie al de mogelijkheid anders te zijn dan ná de handeling in zich, de zin ná de handeling is altijd enigszins anders dan de zin vóór de handeling, want het is in ieder geval herbevestigde zin. Is de zin van F ná de handeling anders dan de herbevestiging van de voorafgaande zin, dan draagt deze erná toch nog altijd de "herinnering" mee van de zin ervóór. Zo opgevat is (inter)subjectieve zin altijd "dubbel".

Wat zijn de consequenties van het voorgaande voor de structuur van Dretskes RS III? In geval van een RS II en een RS III dient C ertoe om F te indiceren en te representeren. In geval van de thermostaat of van de hertog die de verwarming aanzet indiceert en representeert C de kamertemperatuur. Maar indiceert en representeert C in het geval van de opstaande hertog ook dat de koningin binnenkomt? Volgens Dretske wel (expliciet in het citaat aan het begin van § 2). Zoals we zagen is het koningin zijn echter geen intrinsieke maar een toegekende eigenschap. Dat het daarom problematisch is te zeggen dat C de overtuiging is dat de koningin binnenkomt die F, het binnenkomen van de koningin, representeert, zien we het opvallendst in grensgevallen. In zo’n grensgeval, zoals hierboven wanneer de hertog in dubio is wat hij moet doen, wordt duidelijk dat het helemaal niet zo is wat "normaliter" schijnbaar het geval is, namelijk dat C indiceert en representeert. C vertegenwoordigt (misschien) een bepaalde ervaring uit het verleden, maar dat nu de koningin binnenkomt blijkt daar niet uit. Daarvoor hebben we andere gegevens nodig. De hertog kan bericht hebben ontvangen over een opstand, maar die blijkt neergeslagen, of de gegevens kunnen "negatief" zijn in die zin dat er voor de hertog in de verste verte geen reden is aan te nemen dat de binnenkomende vrouw niet de koningin zou zijn. Dan geeft dat de hertog de overtuiging dat de vrouw die eerder koningin was nu ook nog koningin is en het is dan juist zo, dat op grond van deze overtuiging de binnenkomende vrouw de status van koningin wordt toegekend in plaats van dat deze overtuiging het binnenkomen van de koningin indiceert en representeert. Maar als dat zo is, kunnen we niet langer zeggen dat "the queen’s entry into the room caused in [the duke] a belief that the queen was entering the room" (zie citaat). Eerder is het omgekeerde het geval.

Neem nu de relatie tussen C en M. In het geval van de thermostaat veroorzaakt C M. Hoe dat zit in het geval de hertog zelf de verwarming aanzet, laat ik in het midden, maar veroorzaakt de overtuiging dat de koningin binnenkomt nu ook het opstaan van de hertog? We zagen dat dit opstaan niet zo maar een gevolg van C is, maar dat M, het opstaan, tevens een bevestiging is dát de koningin binnenkomt en dit feit daardoor (opnieuw) constitueert. Dit opstaan is niet zo maar een lichamelijke beweging; het is een eerbewijs van de hertog aan de koningin. De hertog zal echter alleen opstaan om de koningin eer te bewijzen, als hij werkelijk de overtuiging heeft dat de koningin binnenkomt, tenzij hij die overtuiging wil voorwenden. Maar als de hertog voorwendt, dan kan het opstaan niet door déze overtuiging veroorzaakt zijn maar hoogstens door een andere te zamen met de redenen waarom de hertog iets wil voorwenden. Handelt de hertog wel op grond van de overtuiging dat het de koningin is die binnenkomt, dan kunnen we tòch moeilijk volhouden dat deze overtuiging het opstaan van de hertog veroorzaakt, omdat dit opstaan nu juist bevestigt dat het voor de hertog de koningin is die binnenkomt en niet een afgezette koningin of zo maar een vrouw en deel uitmaakt van het complex van opvattingen die maken dat het de koningin is die binnenkomt (en niet iemand anders). Overigens gaat het natuurlijk niet om de specifieke handeling "opstaan". De hertog had ook een andere wijze van eerbetoon kunnen kiezen. Voor welke handeling dan ook binnen een interpretatief kader geldt echter, dat deze handeling niet alleen uit dit kader voortvloeit maar tevens constitutief is voor het kader waaruit het volgt.

Wat Dretske hier in feite doet als hij de verklaring van het aanzetten van de verwarming door de thermostaat en de verklaring van het opstaan van de hertog voor de koningin met elkaar op één lijn stelt, is het verwarren van natuurlijke feiten en verbanden en sociale (menselijke) feiten en relaties tussen deze feiten. Fysieke feiten krijgen pas een zin voor een persoon als deze ermee geconfronteerd wordt. Voor sociale feiten geldt dit natuurlijk ook maar anders dan fysieke feiten hebben sociale feiten al een (door anderen gegeven) zin, voordat deze persoon ermee in aanraking komt, en deze persoon kan pas zeggen dat hij deze zin begrepen heeft door er stelling tegenover te nemen, door deze te bevestigen of te ontkennen, door de "aangeboden" zingeving als geldig te erkennen of te verwerpen.14 Ik wil hier echter niet ingaan op de vraag of zgn. "fysieke feiten" niet in de meeste gevallen voor een handelend persoon eigenlijk sociale feiten zijn. Mijns inziens is dat zeker het geval. Waar het mij echter om gaat is dat Dretske een onbetwistbaar sociaal feit zoals dat de hertog opstaat als de koningin binnenkomt op één lijn stelt met een fysiek feit zoals dat een thermostaat een verwarming aanzet, als de temperatuur daalt. Weliswaar is een thermostaat door mensen geconstrueerd, maar een thermostaat werkt ook, als de constructeur overleden is en wanneer er geen mensen meer zijn om van het apparaat profijt te hebben, wanneer er geen mensen meer zijn die weten om wat voor apparaat het gaat, zolang dit maar in tact is. Fysieke processen blijven plaatsvinden ongeacht de zin die wij eraan geven. Sociale feiten, gebeurtenissen en processen zijn zonder een door de dragers en waarnemers ervan toegekende zin als zodanig onbestaanbaar.

Dat het voorgaande consequenties moet hebben voor Dretskes representationele theorie en model lijkt me duidelijk. Deze voorzien namelijk niet in het geval van de dubbele zingeving en dat mensen op grond daarvan handelen. Daarbij komt dat de "eerste" zingeving naar zijn aard bij sociale verschijnselen niet intrinsiek maar toegekend is. Misschien kunnen hier we de betekening dan "symbolisch" noemen, maar Dretske koppelt symbool en dat waar het symbool voor staat los van elkaar: Het kruisje representeert in de schets van de voetbaltrainer de voetbalspeler maar is niet de voetbalspeler. Dat de vrouw koningin is, representeert echter niet dat ze koningin is, maar zij is de koningin. Representeert de vrouw het koningschap? Maar wat moeten we ons dan bij het koningschap los van de koningin voorstellen? Noch Dretskes representationele model III, noch zijn representationele model II (dat in wijze van representatie niet van model III verschilt), noch zijn RS I zijn daarom modellen waarmee we handelen ("gedrag" in Dretskes terminologie) dat plaatsvindt op grond van een dubbele zingeving, kunnen verklaren. Gaan we er echter vanuit dat er een dubbele zingeving ten grondslag ligt aan de handelingen van een actor, dan komen we bij de vraag hoe we de handelingen van een actor vanuit diens zingeving kunnen begrijpen ("verstehen") en niet langer bij de vraag hoe we deze causaal dienen te verklaren. Hoe we daarbij te werk moeten gaan, heb ik in mijn 1996 uitgewerkt.

Tot slot van deze paragraaf wil ik nog terugkomen op het onderscheid tussen het oorzaakaanduidende en het redengevende omdat uit 2.1 en ook op mijn onderscheid tussen een "because I" en een "because II" daar bij Dretske. Mijn analyse liet zien dat er bepaalde verschillen tussen because I en II zijn en dat ze naar verschillende soorten verbanden verwijzen. Het verband waarnaar het because I verwijst, kunnen we, in aansluiting bij mijn analyse, "oorzaakaanduidend" noemen, het verband waarnaar because II verwijst "redengevend". Voor het eerste was de de verwarming aanzettende thermostaat het prototype, voor het tweede de voor de koningin opstaande hertog. In deze paragraaf zagen we dat we het eerste verband wel, het tweede echter niet adequaat konden beschrijven met Dretskes representationele model, omdat we voor het tweede een model nodig hebben waarin recht wordt gedaan aan de dubbele interpretatie. Hoe dit model er in schema (analoog aan figuur 1) uit zou moeten zien, laat ik verder in het midden. Het is niet mijn taak zoiets op te stellen. Maar als "oorzaak" en "reden" een overeenkomstige functie hebben maar verschillendsoortige verbanden aangeven, dan ligt de conclusie voor de hand: wat in het representationele model als een causaal verband wordt aangegeven is in het, wat ik wil noemen, "dubbelinterpretatieve model" een redengevend verband. In het representationele model is C de oorzaak van M op grond van wat het indiceert omtrent F, waarbij C respectievelijk staat voor de "overtuiging" van de thermostaat dat de temperatuur beneden de 68o gedaald is en de overtuiging van de hertog dat de binnenkomende vrouw de koningin is. De laatste overtuiging neemt dus dezelfde plaats in als die van de thermostaat, maar dat de overtuiging van de hertog niet de oorzaak daarvan kan zijn dat hij opstaat zagen we hierboven. Het is juist omgekeerd: dat de hertog opstaat maakt of bevestigt voor de hertog dat het de koningin is die binnenkomt (en niet zo maar een vrouw). De "causale (i.a.z.)" richting is hier niet van C naar M maar van M naar C. Weliswaar zeggen we dat de hertog opstond omdat de koningin binnenkwam, maar dit "omdat" is hier niet oorzaakaanduidend maar redengevend. Het verschil of er sprake is van een oorzaak van of een reden voor wat iemand doet ligt in de rol van de zingeving in het geheel. We spreken van een reden voor wat een actor doet in een sociale situatie, waarbij C niet alleen voorwaarde maar ook gevolg is van de situatie, waarbij C een subjectieve interpretatie van de kant van actor behoeft. C heeft hier een door actor toegekende zin. De situatie is een andere als actor deze een andere zin geeft. Er is sprake van een oorzaak van wat actor doet, als er een objectief (vaak fysiek) element wordt ingevoegd dat actor ondanks zichzelf in principe stuurt: de temperatuur daalt hoe dan ook; actor kan dat niet door interpretatie veranderen. Wel kan deze de temperatuurdaling proberen weg te interpreteren. "Wees niet zo’n koukleum", zegt actor tegen zichzelf, want hij hoeft niet de verwarming aan te zetten (ook al heeft hij het koud). Vandaar dat de temperatuurdaling wat actor doet "in principe" stuurt en ik hierboven van "quasi-"verklaren gesproken heb: ook de temperatuurdaling behoeft een bepaalde interpretatie van de kant van actor en zijn aanzetten van de verwarming is geen automatisme. Maar als het inderdaad om een oorzaak gaat, dan hebben we niet te maken met een toegekende en daarmee (inter)subjectieve zin maar met een objectieve zin die een bepaalde situatie representeert en als zodanig informatie over die situatie geeft. Alleen deze objectieve zin is de zin die Dretske kennelijk in gedachten had bij het opstellen van het RS III om het handelen van een actor te verklaren.

Als een reden niet een speciaal soort oorzaak is maar een eigen type handelingsbepalende factor, dan kunnen we verklaringen vanuit redenen niet langer zien als een soort causale verklaring (i.e.z.). Een redenverklaring heeft een eigen aard die niet tot een causale verklaring (i.e.z.) te herleiden is. Zoals ik elders heb beargumenteerd gaan redenverklaringen namelijk uit van het perspectief van de actor en trachten te begrijpen hoe het vanuit dit perspectief en vanuit de zin die actor aan een bepaalde situatie geeft tot een bepaalde handeling komt. Een causale verklaring, zoals Dretske die geeft, gaat daarentegen uit van het perspectief van de onderzoeker en probeert vanuit deze visie de oorzaken van het gedrag van actor te achterhalen en daarmee causaal te verklaren. Dat dit dan tot twee verschillende "verklarings"-modellen leidt ("verklaring" opgevat i.a.z.) ligt in het verschil van de uitgangspunten.

 

2.3. De conclusie van de vorige paragraaf vormt tegelijk het kader van mijn onderzoek naar de punten 2) en 4) van § 2 die betrekking hebben op de invulling die Dretske aan het begrip "oorzaak" geeft. Ik zal beide punten hier te zamen behandelen. Ik begin echter met een inleiding geven op Dretskes causaliteitstheorie.

 

2.3.1 Als we naar de oorzaken van een proces vragen, dan kunnen we, aldus Dretske, deze vraag op twee manieren beantwoorden. We kunnen bij de vraag denken aan een bepaalde gebeurtenis die het proces opgang brengt en dan geven we een antwoord in termen van de "triggering cause" oftewel wat ik de "directe oorzaak" zal noemen. We kunnen echter ook denken aan dat wat maakt dat het een proces een bepaalde vorm of structuur heeft, zodat M1 het gevolg van C is en niet M2. Dretske spreekt dan van een "structuring cause" oftewel "structurerende oorzaak". Zo brengt een temperatuurdaling in een thermostaat een bepaald proces op gang waardoor deze de verwarming aanzet en is daarmee de directe oorzaak van dit proces. De structurerende oorzaak is daarentegen dat wat ervoor zorgt dat de temperatuurdaling wordt overgebracht naar het ontstekingsmechanisme van de verwarming en niet bijvoorbeeld naar het aan/uit-mechanisme van de koelkast. In dit geval is het de verbinding van een bimetalen strip waardoorheen bij een bepaalde temperatuur een elektrische stroom gaat lopen, waardoor een schakelaar wordt omgezet en zo het ontstekingsmechanisme van de verwarming geactiveerd wordt. Of, een ander voorbeeld, een hond is geconditioneerd volgens de methode van Pavlov. Het dier hoort vervolgens een bel en begint te kwijlen. Wat veroorzaakt dit kwijlen? Denken we hierbij aan de directe oorzaak, dan is het antwoord: de bel. Maar waarom kwijlt de hond en springt hij bijvoorbeeld niet op of doet gewoon niets? Het antwoord hierop geeft de structurerende oorzaak. We kunnen daarbij denken aan bepaalde leerervaringen van de hond in het verleden, die het klingelen van een bel in verband brachten met de komst van voedsel.

Uit beide voorbeelden kunnen we zien dat Dretske twee soorten van structurerende oorzaken onderscheidt: een structurerende oorzaak is òf de achtergrondvoorwaarde die het mogelijk maakt dat het een het ander veroorzaakt òf die voorwaarde of gebeurtenis die deze achtergrondvoorwaarde tot stand bracht. We zien verder dat er een verschil in tijdsperspectief is tussen de directe oorzaak en de structurerende oorzaak. De directe oorzaak zorgt ervoor dat het proces nu plaatsvindt, de structurerende oorzaak verwijst naar al bestaande verbanden die in het verleden tot stand gebracht zijn (Dretske 1988, 37-50, 114-115).

Het onderscheid tussen directe en structurerende oorzaken is van belang om Dretskes begrip "reden" te preciseren. Redenen zijn namelijk voor hem geen directe maar structurerende oorzaken (vgl. het citaat van § 2). Wat wil het echter zeggen dat redenen, dus de cognitieve factoren en conatieve voorwaarden voor het optreden van een M, geen directe maar structurerende oorzaken zijn? Neem bijvoorbeeld een hongerige rat. Het dier gaat op zoek naar voedsel en wel omdat het nu honger heeft. Het doet dat echter op grond van ervaringen uit het verleden omdat het heeft geleerd wat voedsel is en waar dat te verwachten is en dat bepaalde zoekbewegingen voedsel opleveren. Vandaar dat Dretske redenen als het samenspel van in het verleden gevormde overtuigingen en wensen ziet als een structurerende oorzaak van M (id. 1988, 113-115): "[Desire D] is a structuring cause. It helps explain, not why D or M is occurring now, but why, now, D is causing M (rather than something else)" (id.114; cursief HbdW).

 

2.3.2. Dit is niet de plaats voor een algemene kritiek op Dretskes causaliteitstheorie. Hier gaat het me om zijn onderscheid tussen directe en structurerende oorzaak in het licht van het door mij ingevoerde redenbegrip. De punten 2) en 4) van § 2 geven daarbij aan wat Dretske in de aangehaalde passage aan het begin van die paragraaf laat zien, namelijk wat de relatie is tussen zijn causaliteitstheorie en zijn representationele theorie voor het verklaren van gedrag.

Gedragsverklaringen in termen van de "redenen" van actor zijn aldus Dretske, we zagen het zonet, verklaringen in termen van structurerende oorzaken. Nu is dit niet correct in zoverre redenen en oorzaken van elkaar te onderscheiden en niet tot elkaar te herleiden begrippen zijn en tot verschillende categorieën behoren en naar verschillendsoortige verbanden verwijzen. Ik wil er hier niet over twisten of de term "reden" beter gebruikt kan worden voor de structurerende mentale toestanden van Dretske (overtuiging, verlangen, enz.) of voor wat ik in eerste instantie met "because II" heb aangeduid, maar ik wil de laatste zin uit het citaat van § 2 nu zo lezen dat deze zegt dat we "reden" (in mijn zin) moeten zien als een begrip dat verwijst naar de aanwezigheid van een bepaalde structuur en niet naar het optreden van een bepaalde incidentele gebeurtenis. Maar gegeven het categorische verschil tussen "oorzaak" en "reden" is er dan analoog aan het onderscheid tussen "triggering cause" en "structuring cause" een verschil tussen een "triggering reason" (directe reden) en een "structuring reason" (structurerende reden), waarbij we de eerste ook de aanleiding kunnen noemen en de tweede de eigenlijke reden?

Om deze vraag te beantwoorden maak ik gebruik van een analyse uit mijn 1996. Ik heb daar in hoofdstuk VI een aantal factoren onderscheiden die een actor tot een bepaalde handeling brengen, namelijk de situatie waarin actor zich bevindt, diens redenen en diens intentie.15 Actors intentie verwijst ruwweg naar wat actor nastreeft, naar wat Dretske "desire" heeft genoemd. Om wille van de eenvoud laat ik deze verder buiten beschouwing, evenals eerder Dretskes "desire". Actors redenen heb ik omschreven als diens handelingsrelevante belevingen en ervaringen die aan de handeling voorafgaan. Het zijn de (impliciete en expliciete16) overwegingen van actor om tot een intentie en vervolgens een handeling te komen. De "situatie" heb ik aangeduid als de omstandigheden die actor aanleiding geven een bepaalde intentie te ontwikkelen en redenen daarvoor aan te voeren. Wat is nu in het geval van de hertog die opstaat precies de situatie en wat diens reden(en)? Om dat na te gaan maak ik gebruik van een andere beschrijving van dit voorbeeld door Dretske:

"There is a clear difference between explaining why, on the one hand, Clyde stood up then and explaining, on the other hand, why what he did then was stand up (why he stood up then). He stood up then because that was when the queen entered, or when he saw the queen enter, the room. He stood up then as a gesture of respect. The difference between citing the triggering cause of a process (the cause of the C which causes M) and what I have been calling its structuring cause (the cause of C’s causing M) reflects this difference." (Dretske 1988, 42-43; cursief van Dretske)

Ik begin met de vraag naar de situatie, de omstandigheden die actor ertoe brengen te handelen. Dretske zelf geeft in het citaat met zijn cursivering al aan wat als situatie in aanmerking komt: het "then" en "stood up". Het "stood up" kan niet verwijzen naar de situatie die actor ertoe brengt te handelen, want dit is juist de handeling die we willen verklaren. Het "then" als situatie lijkt nog rijkelijk vaag, want normalerwijze reageer je niet op alles wat er om je heen plaatsvindt, maar Dretske geeft aan wat hij onder dit "then" verstaat: "then was when the queen entered … the room" ("or when he saw the queen enter the room"; ik laat dit verder impliciet). Dretske zelf noemt dit de directe oorzaak van Clyde’s opstaan. Moet ik dan zeggen dat het (gezien mijn voorgaande analyse) hier om de directe reden van Clyde’s opstaan gaat die daarmee van de structurerende reden van zijn handeling onderscheiden moet worden? Laten we om deze vraag te beantwoorden eerst eens kijken wat de structurerende reden van de handeling van hertog Clyde zou kunnen zijn. Uit het citaat blijkt dat het bij deze laatste gaat om een antwoord op de vraag waarom de hertog opstond en niet (de voorbeelden zijn van mij) "Leve de koningin" riep, het volkslied ging zingen of gewoon bleef zitten. Het gaat om de reden(en) wat de hertog onder bepaalde omstandigheden pleegt te doen. Dretske noemt zoiets de structurerende oorzaak van de handeling en ik heb dat verworpen, maar dat neemt niet weg dat een handelend persoon als de hertog over bepaalde (individuele) handelingspatronen zal beschikken die als redenen fungeren om te bepalen wat actor onder de geëigende omstandigheden moet doen of het beste kan doen (zie Bij de Weg 1996, 287 e.v.). De hertog weet dat bij bepaalde gelegenheden het volkslied wordt gezongen, bij andere "Leve de koningin" wordt geroepen, bij weer andere (alleen maar) voor de koningin wordt opgestaan en hij weet welke gelegenheden dat zijn. De hertog weet ook dat in het beschreven geval opstaan om zode koningin eer te bewijzen een gepaste handeling is. De hertog heeft daarmee een rechtvaardiging en dus reden om op te staan als de koningin binnenkomt.

Dit wil echter niet zeggen dat de hertog ook werkelijk opstaat, als de binnenkomt. De hertog zal immers op dat moment alleen opstaan als hij haar als koningin wil erkennen en dit ook wil laten blijken of wil doen alsof, m.a.w. als hij haar de zin van koningin wil toekennen of dit wil voorwenden.17 Zo niet, dan blijft hij misschien wel zitten. Onder normale omstandigheden gebeurt de toekenning uiteraard zonder verder nadenken zo niet onbewust, maar in principe doet de hertog dit niet "zo maar" maar op grond van bepaalde overwegingen en soms zijn die expliciet. We kunnen daarom niet zonder meer zeggen dat het binnenkomen van de koningin maakt dat de hertog op grond van bepaalde structurele redenen (zijn individuele handelingspatronen) opstaat. Dat de binnenkomende vrouw de koningin is, is dan ook geen "then", iets van een bepaald moment, maar er gaat heel wat aan vooraf en berust, evenals dat de hertog voor de koningin opstaat, op bepaalde eerdere ervaringen en belevingen.

Maar dan heeft het ook geen zin te zeggen dat er een directe reden is die maakt dat de hertog "then" opstaat. Dat wat een directe reden lijkt, is in feite verbonden met een geheel van overwegingen los van het moment. Er is gewoon niet iets dat als een directe reden bestaat die als een trekker een mechanisme als structurerende reden in werking kan zetten om de hertog de handeling te laten verrichten en principieel van de structurerende reden kan worden onderscheiden. Wat Dretske een "triggering cause" noemt en wat hier een "triggering reason" is, maakt zelf deel uit van het "mechanisme" dat bepaalt òf er gehandeld wordt.

Maar natuurlijk gebeurt zingeving niet zonder aanleiding en gebeurt er wel wat op de locatie waar de hertog zich bevindt. De hertog handelt niet in het luchtledige, redenen worden niet redeloos toegepast, zin wordt niet zonder object toegekend. De hertog bevindt zich in een zaal met gasten. Iedereen is in gespannen afwachting op wat komen gaat. Dan gaat de deur open. Een vrouw komt binnen. Wie is ze? Dit is wat ik de situatie genoemd heb: De omstandigheden die aanleiding geven tot handelen. De situatie wordt daardoor tot de handelingsrelevante omstandigheid die de handeling in een kader plaatst. Is de vrouw die binnenkomt een gast als de andere, dan volstaat het merendeel van de aanwezigen misschien met een beleefd knikje en men draait zich af en gaat verder met het gesprek. Is het de koningin, dan staat men op en ieder maakt een buiging. Maar de situatie, een element uit de situatie, zal nooit de handeling bepalen, als aan bepaalde structurele vereisten voldaan is, op de manier zoals een dalende temperatuur de verwarming aan kan zetten. Zin is geen automatisme maar wordt toegekend. Hier ligt de essentie dat er geen onderscheid is tussen directe en een structurerende redenen.

 

3. Besluit

In zijn Explaining Behavior heeft Dretske laten zien hoe redenen volgens hem als oorzaken werkzaam zijn en het gedrag van mensen sturen. Zijn kort daarna verschenen artikel "Reasons and Causes" begint Dretske bovendien met de opmerking dat hij niet ziet wat de waarde van redenen zou zijn, als ze niet causaal relevant voor ons gedrag zouden zijn. In het voorgaande heb ik zowel het eerste als het tweede bestreden. In §2 heb ik laten zien dat redenen geen oorzaken zijn in enge zin maar naar hun aard hiervan dienen te worden onderscheiden. Wel zijn redenen net als oorzaken handelingsrelevante factoren en als zodanig kan men ze met oorzaken onder een gemeenschappelijke noemer vatten die men "oorzaken in algemene zin" kan noemen. Zolang men het onderscheid tussen oorzaken i.a.z. en oorzaken i.e.z. in de gaten houdt, lijkt me dat geen probleem.

Als redenen echter geen oorzaken (i.e.z.) van handelingen kunnen zijn, hebben ze dan geen waarde voor ons? In §1 heb ik laten zien dat redenen ook zonder causaal relevant te zijn voor handelingen wel degelijk handelingsrelevantie hebben en wel doordat ze de handeling begrijpelijk maken. Daarmee zijn niet als causaal relevant opgevatte redenen wel degelijk relevant. En zou werkelijk anders te verwachten zijn? Moeten we er werkelijk vanuit gaan dat onze handelingsproblemen opgelost zijn, als onze causale handelingsproblemen opgelost zijn? Dat we weten wat we moeten doen, als we weten hoe we het moeten doen? En dat dus handelingsrelevantie alleen causale relevantie is?

1 Ik kies deze voorbeelden omdat in deze het duidelijkst Geans verwarring van reden en oorzaak tot uiting komt. Het gaat me er hier overigens niet om, dat handelingen als zodanig geen oorzaken kunnen hebben (zie daarvoor mijn 1996, hoofdstuk VI), maar daarom dat men (niet-causaal werkzame) redenen moet onderscheiden van oorzaken.

2 Maar kunnen we dan werkelijk van het "verlaten" van de feestzaal door actor spreken? "Verlaten" is iets wat actor zelf doet en niet wat hem overkomt.

3 Dezelfde situatie als in het Engels treffen we mogelijk ook aan in het Russisch. Zoals we zagen kent het Russisch het woord "pritsjina" voor zowel "oorzaak" als "reden" en "osnowanie" alleen voor "reden". Net als bij "cause" kunnen we mogelijk ook in het Russisch een onderscheid maken tussen "pritsjina i.a.z." en "pritsjina i.e.z.", waarbij het eerste dan het overkoepelende begrip is voor het tweede en voor "osnowanie". Of de situatie hier werkelijk volledig analoog is aan die in het Engels, zal echter nader onderzocht moeten worden.

4 Over "omdat" valt trouwens wel wat meer te zeggen. Sommige woordenboeken, zoals de "Van Dale" sluiten namelijk het oorzaakaanduidende gebruik van "omdat" uit of spreken dan van "onverzorgd taalgebruik". Ik sluit me echter aan bij de meer pragmatische benadering van de ANS, die "omdat" zowel als redengevend als als oorzaakaanduidend ziet. Uitgaan van de meer strikte benadering van de "Van Dale" en andere woordenboeken zou mijn conclusie alleen nog maar verder ondersteunen (vgl. mijn voorbeeldzinnen I en II).

5 Analoog aan, niet hetzelfde als een foutieve overtuiging, aldus Dretske. Overtuigingen zijn voor Dretske nl. meer dan interne representaties en wel interne representaties die het gedrag van het systeem waartoe ze behoren verklaren.

6 Wat Dretske dus ook doet zij het niet voor dit voorbeeld maar in het algemeen (zonder overigens een schema als fig. 1 te geven)

7 Zie mijn 1996 voor een bespreking van en kritiek op deze stellingen.

8 Laten we dat aannemen, want anders geldt direct al het volgende geval.

9 En waarschijnlijk moet ik ook vragen: Geldt dit ook voor alle dieren en m.n. voor (bepaalde) hogere dieren?

10 Op de vraag of handelingen zonder meer wel te verklaren zijn, ook als ze een reactie zouden zijn op "objectieve" situaties en gebeurtenissen, ga ik hier niet in. Zie mijn 1996

11 Aannemende dat de hertog de lagere kamertemperatuur onprettig vindt. Maar als eerder aangegeven laat ik de wensen die gedrag of handelingen mede bepalen buiten beschouwing. Het is verder niet helemaal juist dat het rillen de indicator is, omdat dit rillen zelf een soort van gedrag is, dat een gevolg daarvan is dat de hertog het koud heeft. Analoog aan de situatie dat een (bi-)metalen voorwerp uitzet of krimpt met temperatuurwisselingen en zo als indicator gezien kan worden, wil ik kortheidshalve het rillen zelf als indicator opvatten.

12 Waarom ik van quasi-verklaren spreek zie § 2.2.

13 De hertog kan natuurlijk blijven zitten, omdat hij het op dat moment niet verstandig vindt de vrouw openlijk als koningin te erkennen. Dit doet aan het principe van mijn argumentatie niets af.

14Vanuit methodisch gezichtspunt is dit hetzelfde als wat Giddens "dubbele hermeneutiek" genoemd heeft. Zie Giddens 1986, 120 en vgl. Bij de Weg 1996, IV en Habermas 1982, 162 e.v.

15 Eventueel kan men de daar genoemde handelingsmogelijkheid nog als aparte factor onderscheiden. Verder heb ik redenen onderscheiden in de redenen van actor om een bepaalde intentie te ontwikkelen en de redenen voor de keuze van een bepaalde handeling. Voor mijn huidige analyse is dat hier niet van belang. Hier denk ik bij redenen in de eerste plaats aan actors redenen om een bepaalde intentie te ontwikkelen.

16 Impliciet en expliciet: niet altijd zal een actor (voor zichzelf) zijn of haar redenen expliciet formuleren. M.n. spreek ik echter van "impliciet" omdat de zingeving niet steeds opnieuw uitdrukkelijk plaatsvindt. Als iemand opstaat, omdat de koningin binnenkomt, wil dat natuurlijk niet zeggen dat hij of zij zich op dat moment realiseert dat het koningin zijn van de vrouw geen intrinsieke maar een toegekende eigenschap is.

17 Even afgezien van de mogelijkheid dat hij opstaat, niet omdat zij de koningin is maar uit beleefdheid voor deze vrouw.

 Aangehaalde literatuur

Beckermann, Ansgar (Hg.), Analytische Handlungstheorie. Band 2. Handlungserklärungen, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1977

Davidson, Donald, Essays on actions and events, Clarendon Press, Oxford, 1989

Dretske, Fred, Explaining Behavior. Reasons in a world of causes, The MIT Press, Cambridge, Mass. enz., 1988

             Dretske, Fred, "Reasons and causes", in: Philosophy of mind and action theory, 1989: 1-15

Dretske, Fred, "Précis of "Explaining behavior: Reasons in a world of causes", in: Philosophy and phenomenological research, 1990: 783-786

Gean, W.D., "Reasons and causes", in: The review of metaphysics, 1966: 667-688

Geerts, G., W. Haeserijn, J. de Rooij, M.C. van den Toorn, Algemene Nederlandse Spraakkunst, Wolters-Noordhoff, Groningen enz., 1984 (geciteerd als ANS)

Giddens, Anthony, New rules of sociological method: A positive critique of interpretative sociology, Hutchinson, Londen, 1986

Habermas, Jürgen, Theorie des kommunikativen Handelns. Band I. Handlungsrationalität und gesellschaftliche Rationalisierung, Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main, 1982

Weg, Henk bij de, De betekenis van zin voor het begrijpen van handelingen, Kok Agora, Kampen, 1996.

 

terug