terug naar de inleiding  

terug
naar de homepage

Eerste Wereldoorlog - Foto's van het Westfront

Argonne en omgeving

Zie ook de pagina over Verdun

1) De eerste dagen


De Franse militaire begraafplaats "La Justice", op de gelijknamige heuvel nabij Hamipré in de Ardennen, ligt op de plaats waar op 20 augustus 1914 één van de eerste veldslagen tussen Franse en Duitse troepen in WO1 op Belgisch grondgebied plaatsvond: De Slag van La Justice. De gevechten ontwikkelden zich, toen het  Franse 1e bataillon van het 87e regiment infanterie er op de Duitse 21e divisie stuitte. Op het eind van de dag zijn er van de 1200 Franse soldaten 300 gedood en 300 zijn gewond en gevangen genomen. Ook komen er burgers om door de strijd en worden er burgers door de Duitsers gefusilleerd of naar Duitsland gedeporteerd. Huizen in de omgeving worden in brand gestoken en geplunderd.
De bovenste rij foto's tonen de ingang van de begraafplaats "La Justice" en een overzicht ervan. Op de tweede rij zien we links het graf van commandant Cussac van de Franse eenheid. Rechts zien we een monument ter herdenking van de gevallen Franse militairen in het dorp Hamipré. Het monumentje in het midden bivndt zich vlakbij de ingang van de begraafplaats. Op de volgende rij zien we twee fo- to's met een overzicht over het toenmalige slagveld. Ze zijn vanaf de begraafplaats genomen. De foto's op de onderste rij tonen details van het monument voor de Eerste Wereldoorlog in Hamipré. Links de namen van burgers die op 20 augustus 1914 zijn omgebracht; in het midden de namen van burgers die op 27 augustus 1914 in Trier in Duitsland gefussileerd zijn; rechts een tekst ter herdenking van de in WO1 omgebrachte burgers en de gesneuvelde soldaten (met er- onder een tekst voor WO2). Een foto van het monument zelf  staat op de pagina Belgie Buiten de fronten

Even ten noorden van Rossignol in de richting van Neufchâteau bevinden zich een monument en een oorlogskerkhof. Het eerste is het Monument aux
Marsouins (foto linksboven) voor de Franse koloniale soldaten, ook "Marsouins" genaamd, die op 22 augustus 1914 bij de gevechten rond Rossignol
gevallen zijn. Deze soldaten werden destijds als de elite van het Franse leger gezien. Het initiatief tot het monument werd genomen door de vader van
een van de gesneuvelde soldaten en werd op 21 augustus 1927 op grootse wijze ingewijd.
Ertegenover ligt de Cimétière de l'Orée de la Fôret waar veel van de gesneuvelden in deze gevechten begraven zijn.(foto rechtsboven). Onder hen is
ook de Franse schrijver Ernest Psichari (zie beneden). De begraafplaats werd vanaf 1917 door de Duitsers aangelegd voor de Duitse en Franse solda-
ten van de gevechten van 22/8/14 die elders begraven lagen. Na de oorlog werden de resten van veel Franse soldaten naar hun plaats van herkomst
gebracht, terwijl de Duitse soldaten nu in Saint Vincent begraven zijn. Anderzijds werden de resten van Franse soldaten van begraafplaatsen in de buurt
hierheen gebracht. Op de begraafplaats liggen nu in totaal ongeveer 2500 Franse soldaten, waarvan 2379 niet-geïdentificeerden eerst elders lagen.

Een van de vele monumenten in Rossignol is de Stèle Psichari ter herdenking
van de Franse schrijver Ernest Psichari (foto links). De in 1883 geboren Psi-
chari besluit na zijn studie filosofie in het Franse leger te gaan. Hij is tijdens de
gevechten op 22 augustus 1914 rond Rossignol om het leven gekomen. Psicha-
ri  is dan onderluitenant bij het 2e Koloniale Artillerieregimen. Hij zou gevallen
zijn op de plaats waar later de Stèle Psichari is opgericht, maar zeker is dit niet.
Psichari werd met andere Franse soldaten in een massagraf begraven. In april
1919 wordt zijn lichaam geïdentificeerd en dit wordt overgebracht naar de be-
graafplaats l'Orée de la Fôret (zie boven). Er ontstaan dan allerlei mythes rond
de schrijver. Er wordt een speciaal herdenkingscomité voor hem opgericht en
zowel in Rossignol als op de begraafplaats komt een monument voor Psichari.

Op de foto links zien we het Château de Rossignol: Het Kasteel van Rossignol.
In augustus bij de Duitse inval in België stelden de eigenaressen, de gravinnen
Van der Straeten, het kasteel ter beschikking van het Rode Kruis die er een
hospitaal inrichtte. Er werden 800 soldaten verpleegd.

Iets ten zuidwesten van Neufchâteau in de Belgische Ardennen, aan de weg naar Florenville, ligt de Frans-Duitse oorlogsbegraafplaats van Malome. Hier liggen soldaten die op
20-22 augustus bij de gevechten rond Longlier-Hamipré en Neufchâteau gesneuveld zijn. De begraafplaats is oorspronkelijk in 1917 door het Duitse leger ingericht. Na de Tweede
Wereldoorlog zijn de lichamen van soldaten van acht begraafplaatsen in de omgeving naar Malome gebracht, voor zover ze niet in eigen land begraven zijn. Linksboven zien we de
de ingang met informatie over de begraafplaats; de andere foto's geven een overzicht. Net als elders zijn de lichte kruizen zijn voor de Franse soldaten, de donkere voor de Duitse.

 Op 20 augustus 1914 trokken de Duitsers na de
 Slag van La Justice Neufchâteau binnen en namen
er zeven notabelen in gijzeling, waaronder Henri
  Gourdet. Ze brachten de nacht door op een kar
  nabij Longlier en werden vervolgens naar een
kamp in Duitsland gebracht. Gourdet deed de ge-
  lofte op de plaats waar de kar stond een kapel
op te richten, als hij zou overleven. Hij loste de ge-
lofte in 1919 in. De kapel is gewijd aan Onze Lie-
ve Vrouwe van Luxemburg en staat nabij Longlier
aan de N825.

Op de Frans-Duitse militaire begraafplaats Bertrixheide in de gemeente Bertrix in de Belgische Ardennen (zie foto's boven) liggen de ge-
sneuvelden van de gevechten van 22 augustus 1914 begraven. Oorspronkelijk lag een deel van de gevallenen op de nabij gelegen be-
graafplaats Waldfriedhof. Deze is tijdens de Tweede Wereldoorlog opgeheven en de lichamen zijn opnieuw bijgezet op de begraafplaats
Bertrixheide (oorspronkelijk Heidefriedhof geheten). Men vindt hier de graven van 254 Duitse en 264 Franse soldaten.

Bij de ingang van de gemeentelijke begraafplaats in Bouillon
in België naast de N89 staat het monument op de foto links.
Het draagt het opschrift "Aan de Franse en Belgische Helden
1914-1918" en de namen van negen Franse en twee Belgi-
sche militairen.Voor zover ik heb kunnen nagaan gaat het om
militairen die in de eerste oorlogsweken in of bij Bouillon ge-
sneuveld zijn of daar in krijgsgevangenschap zijn overleden en
op de naastliggende begraafplaats begraven zijn. De architect
van het monument is Marcel Tock, de beeldhouwer is Jean
de Bo, beiden uit Brussel.



De drie foto's hierboven geven beelden van de begraafplaats Musson Barancy aan de N88 ten westen van Baranzy in Belgie, ten noorden van Verdun. De begraafplaats bevat graven van zowel Duitse
soldaten (in grijze steen) als Franse soldaten (gele kruizen) die in de eerste dagen van de oorlog gesneuveld zijn in de Slag van Barancy, die van 20-24 augustus 1914 plaatsvond tussen het IVe Duitse
leger en het IVe Franse leger. Er zijn hier 945 graven: 511 Duitse (waarvan ook een aantal van later in de oorlog gevallenen) en 431 Franse. Daarnaast zijn er ook nog drie Franse soldaten begraven die
in de Tweede Wereldoorlog omgekomen zijn. De begraafplaats werd in 1917 ingericht en was oorspronkelijk alleen voor Duitse soldaten. De Franse soldaten werden er in 1919 bijgezet.

*************************************Villes Martyres - Martelaarsteden in de Ardennen ***************************************

Vooral  tijdens de inval van de Duitse troepen in België en Frankrijk werden op veel plaatsen  oorlogsmisdaden  gepleegd tegen de lokale bevolking: Burgers werden op
veel plaatsen gefusilleerd of  naar Duitsland gedeporteerd, steden en dorpen werden in brand gestoken, enz. Veel plaatsen waar dit gebeurde kregen later de al dan niet
officiële status van "ville martyre" - martelaarstad. In deze sectie treft men foto's van monumenten in dergelijke martelaarsteden aan in de Belgische Ardennen.

Bij de gevechten rond Rossignol werden 126 burgers van deze en omliggende plaatsen door de Duitsers opgepakt op beschuldiging op hen ge-
schoten te hebben. Ze werden drie dagen lang zonder eten en drinken op een weide bij Rossignol vastgehouden en daarna naar het station van
Aarlen (Arlon) overgebracht. Daar zijn ze tegen de muur van de brug van Schoppach doodgeschoten. De lichamen werden begraven in een mas-
sagraf. Op 18 en 19 juli 1920 werden de slachtoffers overgebracht naar een grafkelder in het centrum van Rossignol, in aanwezigheid van Koning
Albert I.
Op de foto rechtsboven zien we het monument met alle 126 namen aan de Rue Camille Josset, naast het massagraf. De foto middenboven laat
deze Caveau des Fusillés zien. Rond het graf loopt een kruisweg. Op de foto linksboven zien we de ingang van de grafkelder. De grafkelder is
van de hand van de architect Adrien Blomme, het fries is van Frans Huygelen. De grafkelder is ingewijd op 1 juni 1925 in aanwezigheid van
Koningin Elizabeth. Tegenover het plantsoen met het massagraf aan de andere kant van de straat bevindt zich een gebouw met een herdenkings-
plaquette van de gebeurtenis van 26 augustus 1914. Deze is in 1947 aangebracht en vervangt een oudere plaquette uit het interbellum. Deze was
tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers verwijderd.

Op de valse beschuldiging op de Duitse troepen geschoten te hebben namen soldaten van het keizerlijke leger op 22 augustus 93 inwoners
van Tintigny en Ansart in gijzeling. 36 uit Tintigny en drie uit Ansart werden apart genomen en na een snelrechtprocedure op een veldje bij
het buurtschap Les Loynes bij Ansart gefussilleerd, samen met nog een inwoner uit Ansart die onderweg was opgepakt. (Andere informa-
tie spreekt van 41 inwoners uit Tintigny, dus in totaal 45 gefussilleerden; op het monument bij Les Loynes staan 42 namen). De slachtoffers
werden ter plekke in een massagraf begraven. Toen de gegijselden waren afgevoerd werd Tintigny in brand gestoken, waarbij meer dan
honderd huizen verwoest werden. Burgers die aan de vlammen probeerden te ontsnappen werden door de soldaten onder vuur genomen.
Zestig van hen kwamen om. Ook Ansart werd in brand gestoken, waarbij 35 huizen in vlammen opgingen en zeven bewoners omkwamen.
Andere dorpen in de omgeving ondergingen hetzelfde lot.
Op het veldje bij Les Loynes waar de fussilade plaatsvond en het massagraf werd gegraven staat nu het tempelachtige gebouwtje met de
namen van de gefusilleerden dat we op de foto linksboven zien. Er is ook een plaquette met namen van gevallen uit WO2 aangebracht. In
het gebouwtje bevindt zich een soort van altaar met daarop een beeldengroep. Het monument werd op 21 augustus 1921 ingewijd. De ar-
chitect is Léon Lamy, de beeldhouwer Jean Canneel en de uitvoerders waren E. Claisse en Andriaux. Linksonder zien we een foto van de
inwijding van het monument.
De foto rechtsboven laat de kerk van Tintigny zien met ervoor het monument voor de doden uit WO1 (gefusilleerden, gesneuvelden en ge-
deporteerden). Er zijn ook twee plaquettes met namen uit WO2 aangebracht. Dit monument is eveneens een werk van Léon Lamy en Jean
Canneel. Hoewel het al in 1922 klaar was, werd het pas in 1931 ingewijd. Het beeld van Canneel in het monument laat een oude man zien
die een jongen het verhaal van de gebeurtenis vertelt. De foto's middenboven en linksmidden tonen de verwoestingen na de brandstichting
door de Duitse troepen op 22 augustus 1914 in Tintigny.
(De twee oude foto's linksonder en die middenboven zijn foto's van oude foto's op de informatieborden in Tintigny en Ansart.)

Naast het monument voor de gevallen in de Eerste en Tweede Wereldoorlog in Houdemont staat een informatiebord. Het vertelt over de gruweldaden van het 23e infanterieregiment van
het Duitse leger op 24 augustus 1914, waarvan elf burgers het slachtoffer werden. Ze werden vermoord omdat ze zich niet hielden aan de avondklok, bij willekeurige schietpartijen, omdat
ze zich trachtten te verbergen of juist te vluchten en dergelijke redenen. Tijdens dit Duitse optreden werd het dorp in brand gestoken, waarbij 63 huizen werden verwoest. De Duitsers recht-
vaardigden hun gedrag met de - naar gebleken is onjuiste - beschuldiging dat er door burgers op hen geschoten werd.
Op bovenstaande foto's zien we links het monument voor de gevallenen uit de beide wereldoorlogen met rechts ervan het informatiebord. Dr foto in het midden laat Houdemont ruim honderd
jaar na de gebeurtenissen zien (in 2017). De foto rechtsboven (genomen van een detail van het infobord) laat een "trotse" Duitse eenheid zijn voor de ruïnes van het dorp. De met de hand ge-
schreven tekst op de foto dateert van later.


*************************************************************************************************************************

Het Duitse oorlogskerkhof  Noyers-Pont-Maugis, 5 km ten zuiden van Sedan. Dit kerkhof voor in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde Duitse soldaten werd in 1922 door de Fransen aangelegd.
In het begin van de Tweede Wereldoorlog vielen in deze streek opnieuw veel soldaten. Deze werden aanvankelijk op provisorische kerkhoven begraven of aan de kant van de weg. Niet  lang
daarna werden ze overgebracht naar een areaal aansluitend bij dit kerkhof voor de Eerste Wereldoorlog. Na WO II werden er nog een aantal graven aan toegevoegd. Zowel op het deel  waar de
soldaten uit de Eerste Wereldoorlog liggen  als op het deel voor de Tweede Wereldoorlog bevinden zich individuele graven en een massagraf. Momenteel liggen er 14.055 soldaten uit WO I en
12.788 soldaten uit WO II. De huidige begraafplaats werd op 17 september 1966 ingewijd en wordt beheerd door de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge e.V. 
De foto linksboven toont de ingang van de begraafplaats. Hier bevindt zich op de muur een plakette (foto boven midden). Via de trap komt men in een informatieruimte. Vanaf het ingangsgebouw
leidt een weg naar de herdenkingshal met een kapel. Als belichaming van het verdriet om de gesneuvelden uit beide wereldoorlogen staat hier het door prof. dr. Kurt Schwippert gemaakte standbeeld
van een vrouwenfiguur uit mosselkalk. De foto linksonder geeft een beeld van het deel van de begraafplaats waar de soldaten uit de Tweede Wereldoorlog liggen. De foto in het midden laat het deel met
de graven  van de soldaten uit de Eerste Wereldoorlog zien. De foto rechtsonder toont het massagraf op dit deel. De gedenksteen heeft de tekst: "In een gemeenschappelijk graf rusten hier 4938
Duitse gevallen van de Wereldoorlog1914-1918. 4659 bleven onbekend".

Niet ver van het Duitse oorlogskerkhof van Noyers-Pont-Maugis  bevindt
zich ook een Franse oorlogsbegraafplaats met gevallen  van de Eerste We-
reldoorlog I. Deze  is oorspronkelijk in 1920 ingericht. In 1934 werden er
Britse soldaten van begraafplaatsen uit de omgeving bijgezet. Na  de Twee-
de Wereldoorlog zijn er ook soldaten uit deze oorlog begraven. Thans lig-
gen er 4545 Franse soldaten uit WO I plus 62 geallieerde gesneuvelden. De
meesten zijn tussen 27 en 29 augustus 1914 gevallen. Uit WO II liggen er
18 Franse en 7 Britse miltairen.


In de streek tussen Inor en Stenay  (dep. Meuse) is op 26, 27 en 28 augustus 1914 hevig gevochten.  De Duitsers zijn er de Maas waren overgestoken, hoewel de Franse alle
bruggen hadden opgeblazen en hen op de andere oever probeerden tegen te houden. Talloze monumenten getuigen van deze strijd, waarvan er hier enkele worden getoond.


Iets ten westen van Luzy-Saint-Martin aan een doodlopende weg bevinden zich twee groepen monumenten. Eerst passeert men het massagraf met monument.van de bonste twee foto's
voor Franse en Duitse soldaten. Enkele meters verderop liggen de afzonderlijke Duitse graven van de twee foto's onder. De monumenten zijn tijdens de Duitse bezetting opgericht, later
vervallen, weer hersteld en dan vanwege de herdenkingen vanaf 2014 opnieuw opgeknapt. Oorspronkelijk waren er de Franse en Duitse soldaten bijeengebracht die op het slagveld her
en der voorlopig begraven waren. Thans zijn de graven leeg. De doden zijn naar twee  begraafplaatsen bij Brieulles gebracht, evenals die van enkele andere begraafplaatsen vlakbij. Deze
laatste zijn na deze herbegrafenis vernield, met uitzondering van de Rotonde (zie beneden - Foto's van de Franse begraafplaats bij Brieulles vindt men verderop op deze pagina.) De Franse
doden behoorden vooral tot het 8e en 24e koloniale corps, de Duitse gesneuvelden tot de 11e divisie.

Volgt men de doodlopende weg langs de bovenstaande grafmonumenten,
dan komt men bij een bos met hierin de zgn. Rotonde. Vanaf de bosrand
heeft men een goed uitzicht over het voormalige slagveld (foto links).

Op het slagveld bij Luzy-Saint-Martin sneuvelden ongeveer 2000 Franse en Duitse soldaten. In de door de Duitsers gebouwde Ro- tonde - tegelijk monument en begraafplaats - werden 82 Franse en 118 Duitse soldaten bijgezet. Ook hun stoffelijke resten werden later naar de twee aparte Franse en Duitse begraafplaatsen nabij Brieulles overgebracht. De foto's boven en links geven een beeld van de Rotondo met in het centrum een machtige eik met bank. De boom werd er  al door de Duitsers geplant. Rondom bevindt zich een muur met gedenkstenen. Voor de muur lagen de graven. Van de Franse soldaten zijn op een steen de namen gegeven.
Aan het begin rechts van het pad naar de Rotonde staat de ge- denksteen van de foto rechts.
De tekst op de steen links luidt (ver-
taald): "De gemeente Luzy-Saint-Mar-
tin en de Vrienden  van de veteranen
van het 22e Marinekorps ter herinne-
ring aan het 22e regiment van de kolo-
niale infanterie die op 27 augustus 1914
vanuit deze bosrand aanviel  in de rich-
ting van Luzy-Saint-Martin en het dorp
om 13.30 u is binnengedrongen na 1128
van de  zijnen te hebben verloren ofte-
wel 40% van de manschappen die heb-
ben gevochten".

Als men Laneuville verlaat in de richting  Beaumont ziet men al gauw links van de weg
het monument op de foto links. Het is ter ere van de 87e brigade infanterie en het 42e
regiment van de artillerie die op 27 augustus 2014 "bloedige verliezen hebben toege-
bracht aan de Duitsers en hen in de richting van de Maas hebben teruggeworpen". Het
monument eert tevens alle soldaten van deze regimenten die in de oorlog van 1914-
1918 voor Frankrijk gestorven zijn.

*****

De foto rechts laat het monument zien in Montigny-devant-Sassey ter nagedachtenis
aan de 175 officieren, onderofficieren en soldaten van het 117e regiment infanterie,
aldus de tekst op het monument, die op 31 augustus bij de gevechten om de plaats ge-
sneuveld zijn. Voor het monument liggen een aantal van de gevallen militairen begraven.


*************************************************************************************************************

De ongeveer 2300 man van het garnizoen in de Citadel van Montmédy kregen op 27 augustus 1914 het bevel zich terug te trekken naar Verdun. Wanneer ze zich de ochtend daarna in het bos
van Woëvre nabij Mouzay bevinden, treffen verkenners voor hen veel Duitse troepen aan. Bij het verder trekken stuiten de Fransen in het bos van Brandeville op 29 augustus 's morgens vroeg
op een Duitse eenheid en besluiten die aan te vallen. Door het verrassingseffect brengen de Fransen de Duitsers aanvankelijk zware verliezen toe en doden 600 tegenstanders. De Duitsers herstel-
len zich echter erg snel  en weten de  Franse eenheid te verslaan.  Zo'n 600 verliezen er het leven  en ongeveer 900 worden als krijgsgevangenennaar een kamp bij Ingolstadt in Beieren gebracht
en onder zeer streng regime gesteld. Slechts weinig Fransen bereiken Verdun. 516 gesneuvelden Fransen liggen nu begraven op de militaire begraafplaats bij Brandeville, waarvan 506 in een massa-
graf en tien in individuele graven. De foto linksboven toont de poort van de Citadel van Montmédy, genomen vanaf de binnenplaats. Links van de poort op de muur bevindt zich een plaquette die
de manschappen van de Slag bij Brandevilleherdenkt (anders dan in de Internetbronnen is hier sprake van 2500 in plaats van 2300 soldaten die het fort op 27-8-1914 verlieten). Linksboven de
begraafplaats bij Brandeville. Oorspronkelijk is deze door de Duitsers aangelegd. In de jaren 1920-1924 zijn de lichamen er opnieuw begraven en is de begraafplaats in zijn huidige vorm aangelegd.

Ten zuidwesten van de Argonne, eigenlijk buiten het gebied dat op deze pagi-
na behandeld wordt, vond van 5 tot 12 september 1914 de Eerste Slag bij de
Marne plaats tussen het Duitse en Franse leger, die door deFransen werd ge-
wonnen. De Franse troepen werden geleid door generaal (later maarschalk)
Joffre, die in Chȃtillon-sur-Seine zijn hoofdkwartier had. In deze plaats in het
departement  Côte d'Or staat nu een monument dat de Franse overwinning
herdenkt. Het bevat een bas-reliëf waarop Joffre, zijn adjudant kolonel Ga-
melin en Athene, de Griekse godin van de oorlog, staan afgebeeld met links
van hen de dagorder van Joffre op 6 september aan zijn troepen bij het begin
van de slag. Het bas-reliëf is een ontwerp van de beeldhouwer Jean Dampt
en uitgevoerd in steen uit de groeve van Pouillenay. Het was gereed in 1935
en is toen tentoongesteld. Nadat het aan de gemeente was gegeven, werd het
in 1936 bij de bronnen van de Douix geplaatst. In1950 is het overgebracht
naar het daarvoor gecreëerde Place Joffre in het zuiden van de stad.

*****************************Alain Fournier*******************************

Alain Fournier (pseudoniem voor Henri-Alban Fournier) was een bekende schrijver die met zijn roman Le Grand Meaulnes uit 1913 net de Prix Goncourt miste. Ook hij werd als soldaat voor de Grote Oorlog opgeroepen en diende als tweede luitenant in het 288e infanterieregiment. Al in het begin van de oorlog, op 22 september 1914, raakte hij zwaargewond bij gevechten in de bossen bij St.-Rémy-la-Calonne, ten zuidoosten van Les Éparges. Hij verdween en werd als vermist beschouwd, totdat in 1991 zijn lichaam met dat van twintig anderen in een door de Duitsers gegraven massagraf werd teruggevonden. Nu staat er een monument. Alain Fournier en de anderen werden herbegraven op de militaire begraafplaats te St-Remy.

Bijgaande foto's laten de plaats zien waar Alain Fournier en zijn kameraden in het Bos van St.-Rémy gevonden zijn (boven) en de begraafplaats van St-Rémy-la-Calonne waar ze zijn herbegraven. Het oorspronkelijke massagraf is nu afgedekt met een koepel. Waar de lichamen lagen staan nu bordjes met de namen van de soldaten. Naast het graf is een monument in de vorm van een vlam met daaronder de datum van overlijden.
Onder zien we de militaire begraafplaats van St-Rémy en het graf van Alain Fournier, dat rechts van het middenpad op de eerste rij ligt. De foto rechtsonder is van een massagraf voor 16 Duitse soldaten die ook op 22 september bij de Tranchée de Calonne in hetzelfde bos gesneuveld zijn.


2) De jaren van de loopgravenoorlog


De Duitse kroonprins Wilhelm van Pruisen had in 1914 van zijn vader keizer Wilhelm II de leiding over het vijfde
Duitse leger gekregen. Zijn vader had hem echter gezegd dat hij verplicht was de adviezen van de stafchef luitenant-
generaal Schmidt von Knobelsdorff op te volgen. Wilhelm had zijn hoofdkwartier in Stenay gevestigd op redelijke
afstand van het front. Deze plaats werd daardoor een kleine Duitse stad. Hiervan is vandaag de dag nog veel terug
te vinden. Bijgaande  foto's  geven een indruk.
Op de plaats van de villa van de foto links op de eerste rij stond eens Château des Tilleuls. Het werd door de
kroonprins gebruikt als residentie en werd door de Duitsers Unter den Linden genoemd. De onderverdieping van de
villa is nog van het slot afkomstig. De foto ernaast toont de voormalige Kreiskommandantur, die gevestigd was in de
woning van de brouwer Peltier. Het gebouw  van de foto rechtsboven was bij de komst van de Duitsers een jongens-
school. Het werd als Hauptquartier van het 5e leger ingericht. Het hospitaal, dat tot Hauptlazarett werd, zien we op
de foto tweede rij links. Het gebouw op de foto ernaast werd als Offiziersheim gebruikt. Nu is het een hotel. In de
tabakswinkel rechts op de hoek van het rijtje huizen op de foto rechts midden bevond zich de Veldboekhandel.
Links zien we twee monumenten van na de oorlog die de oorlog en zijn slachtoffers herdenken. Het monument rechts
bevindt zich in een kerk.

Op de gemeentelijke begraafplaats van Stenay bevinden
zich zowel individuele graven van gesneuvelde soldaten
als een massagraf van in gevangenschap omgekomen
Fransen, Belgen en Russen. De foto links toont het mas-
sagraf met steen voor de 183 overleden gevangenen,
waarvan 9 burgers uit België, 17 Russische soldaten en
157 Franse militairen. Tegenover het massagraf bevindt
zich een klein grafveld met gesneuvelde soldaten uit de
Eerste en Tweede Wereldoorlog (foto's links). De veer-
tien gesneuvelde soldaten uit WO I liggen links van het
monument.

In Stenay aan de weg naar Verdun bevindt zich een monument
voor de gevallenen van het 120e en 320e infanterieregiment van
het Franse leger, opgericht door de veteranen van deze regimen-
ten. Het 120e infanterieregiment heeft o.a. gevochten bij Virton
in Belgie, in de Eerste Slag aan de Marne (1914), in de Argonne
en in de Slag in de Champagne (1915), bij Verdun (1916) en in
de Tweede Slag aan de Marne (1918). Het 320e infanterieregi-
ment heeft o.a. gevochten in de eerste grensslagen in augustus
1914, de Eerste Slag aan de Marne (1914), bij Verdun in 1916,
in de Slag aan de Aisne en eveneens de Tweede Slag aan de
Marne, beide in 1918.

In Montmédy zijn drie begraafplaatsen voor voornamelijk, maar niet uitsluitend, Duitse soldaten. De begraafplaats op deze foto's is verreweg de grootste en ligt aan de D118 aan de oostkant van de stad. Er rusten 2516 Duitse soldaten (waarbij 43 soldaten van het Oostenrijks-Hongaarse leger) en 303 soldaten van andere nationaliteiten, en wel Belgen, Britten, Fransen, Italianen en Russen. De Duitse soldaten zijn meest gesneuveld bij Verdun. Ook bij de Fransen gaat het vooral om gesneuvelden of in het hospitaal aan hun wonden overleden soldaten. De anderen zijn meest overleden krijgsgevangenen die achter het front te werk gesteld waren.
De begraafplaats werd al tijdens de oorlog aangelegd. Ook de twee monumenten op de foto's uiterst links en rechtsboven zijn toen al geplaatst. Na de oorlog werden ook Duitse soldaten die in het lazaret van Stenay overleden waren en daar waren begraven naar dit kerkhof overgebracht. Overleg tussen de Duitsers en Fransen over herinrichting van de begraafplaats raakte echter in het slop door een tekort aan devisen bij de Duitsers en door het uitbreken van WO II. Toen er in 1966 tussen Frankrijk en Duitsland een verdrag kwam over het onderhoud van Duitse oorlogsgraven kon de begraafplaats echter worden opgeknapt. De houten kruizen werden door metalen exemplaren vervangen en op de massagraven werden de huidige stenen kruizen geplaatst.
De foto linksboven geeft een algemene indruk van de individuele graven op de begraafplaats. Middenboven zien we de Duitse massa- graven. Op de foto rechtsboven staat, zoals gezegd, een monument dat al tijdens de oorlog door de Duitsers is geplaatst, evenals op de foto uiterst links. Dit laatste draagt de tekst "En wie de dood vond in de heilige strijd, rust ook in vreemde aarde in het vaderland". De foto direct links laat een joods graf zien tussen de graven met christelijke kruizen. Linksonder zien we een rij Belgische graven. Er- naast staan twee foto's van gemeenschappelijke graven voor geallieerde soldaten.


Op de gemeentelijke begraafplaats in Montmédy aan de weg van het stadje naar de citadel bevinden zich ook een aantal graven van soldaten die in de Eerste Wereldoorlog omgekomen zijn. Het gaat om Duitsers, Fransen en Russen. Bijgaande foto's laten de massagraven voor de 69 Duitse en 34 Franse soldaten zien. De foto linksboven geeft een beeld van het graf op de begraafplaats. Daarnaast zien we een foto van het Duitse massagraf, dat zich links van het kruis bevindt. De Franse tekst op de steen luidt "Hier rusten 69 Duitse soldaten". Voor de steen met kruis in het midden (foto links) staat de oorspronkelijke oude Duitse plaquette met de tekst "Hier rusten 34 Duitse en 16 Franse krijgers. Ze stierven voor hun vaderland. 1915". Rechts van dit kruis ligt het Franse massagraf. Op de foto rechtsboven zien we de steen met de namen van 18 soldaten waarvan de naam bekend is en de toevoeging dat er daarnaast nog 16 de namen niet bekend zijn.

Nadat het Franse garnizoen de Citadel van Montmédy verlaten had (zie sectie
1 op deze pagina) werden er in deze vesting Duitse troepen gelegerd. Sommi-
ge soldaten hebben tijdens hun aanwezigheid daar inscripties aangebracht in de
muren van de bouwwerken, zoals op bijgaande foto is te zien. We zien hier o.a.
het jaartal 1916,  het symbool van het Duitse leger, een bouwwerkje met een
kruis (een graf?) met initialen en andere inscripties.


Op de plaatselijke begraafplaats van Létanne nabij
Beaumont-en-Argonne bevinden zich twee graven
van in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde solda-
ten met een bijbehorend monument.

Dun-sur-Meuse werd in het begin van de oorlog al door de Duitsers veroverd en bleef de hele oorlog in Duitse handen. De brug op de foto midden-
boven evenals het stadje werden zwaar beschadigd. Op 5 november 1918 stak de 5e divisie van het Amerikaanse leger hier de Maas over en legde
er een noodbrug aan. Een plaquette op de huidige brug herdenkt dit feit evenals een obelisk achter het lokale WO-I-monument in Doulcon een paar
honderd meter westelijk voor de brug. Direct aan de oostkant van de brug staat het monument voor de doden uit de oorlog van Dun (foto linksboven).
De twee foto's onder tonen het Duitse oorlogskerkhof  te Dun-sur-Meuse. Deze al in 1914 ingerichte begraafplaats bevat de resten van 1664 gesneuvelde
soldaten, waarvan twee uit het Oostenrijks-Hongaarse leger. De kruizen zijn zwart omdat witte kruizen aan de geallieerde soldaten voorbehouden waren.
In 1971 zijn de houten kruizen door metalen exemplaren vervangen. Toen is de begraafplaats ook verder geheel opgeknapt.


Frans oorlogskerkhof te Brieulles-sur-Meuse. Op deze begraafplaats bevinden zich de resten van 2572 Franse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog waarvan 1052 in graven
en 1520 in twee ossuaria zijn bijgezet. Verder zijn er 35 Belgische, één Britse en 123 Russische soldaten uit deze oorlog begraven. Ook bevinden zich hier 24 graven van
gevallen Franse soldaten uit de Tweede Wereldoorlog. De gesneuvelden zijn hier later naartoe gebracht vanuit begraafplaatsen in de omgeving.

In Merles-sur-Loison bevindt zich achter het locale kerkhof een Duitse oorlogsbegraafplaats voor 1499 gevallen. Het is al in de eerste dagen van de oorlog aangelegd na de eerste gevechten bij Mangiennes op
10 augustus 1914. In september kwam er in Merles een veldhospitaal, vooral voor gewonden uit de regio van Verdun. Overledenen werden op deze begraafplaats begraven. De meeste hier begraven soldaten
zijn gevallen in 1916 in de slag om Verdun en in de laatste dagen van de oorlog bij het Amerikaanse offensief. Ze behoorden vooral tot de 21e en 25e infanteriedivisie. De twee monumenten op de begraafplaats
zijn al tijdens de oorlog gemaakt en wel door beeldhouwers die in het Duitse veldhospitaal in Merles als dienstplichtige werkzaam waren. Na de oorlog zijn Duitse gevallenen uit de omgeving naar Merles over-
gebracht. Van de 1499 gevallenen liggen er 1302 in individuele graven (19 van hen zijn onbekend gebleven) en 197 liggen in een massagraf (slechts 13 van hen zijn bij naam bekend. Mede vanwege de Tweede
Wereldoorlog werden pas in 1978 houten grafkruizen en -markeringen door metalen exemplaren vervangen. Langs de kant staan nog een aantal oorspronkelijke grafstenen opgesteld.
Als men het hek gepasseerd is (foto linksboven), loopt men recht op het massagraf af (foto's rechtssboven en linksonder). Men passeert dan aan de linker hand het monument van het 37e Pruisische reserve
infanterieregiment voor hun gevallen kameraden (foto middenboven). Het monument op het massagraf draagt de tekst "En wie de dood vond in de heilige strijd, rust ook in vreemde aarde in het vaderland".
Rechtsonder zien we het graf van een joodse soldaat en in het midden het kruis voor de graven van twee soldaten die slechts kort voor de wapenstilstand, namelijk op 5 november 1914, gesneuveld zijn.

Het Duitse soldatenkerkhof te Consenvoye op de foto's boven werd in 1920 door de Fransen ingericht. Hierheen werden Duitse gesneuvelde soldaten uit de hele oorlog en uit de wijde omgeving
bijeengebracht. In de loop der jaren werd de begraafplaats diverse keren opgeknapt en verbeterd. De huidige vormgeving dateert van 1978.Er bevinden zich de resten van 11.148 gevallenen,
zowel in individuele graven en groepsgraven met kruizen (8.609 soldaten; foto midden) als in massagraven (foto rechts). De namen van de soldaten die hier liggen zijn op metalen platen vermeld.
78 gevallenen konden niet geïdentificeerd worden.

Ruim tien kilometer van het Front bij Verdun, verscholen in de bossen van het nu rustige dorpje Loison (Meuse) liggen de resten van het voormalige Camp Marguerre. Het was met name gebouwd om in
de buurt van het front enerzijds een plek te hebben waar soldaten die aan het front bij Verdun gevochten hadden konden uitrusten, anderzijds als plaats waar in alle rust geëxperimenteerd kon worden met
nieuwe soorten beton voor de bunkers. Verder diende Marguerre als opslagplaats. De Duitsers wilden het kamp voor de vijand geheim houden en daarom werd het in de bossen gebouwd. In de geheim-
houding zijn ze zeker geslaagd, want pas op het eind van de oorlog, toen de geallieerden door de Duitse linies heen waren gebroken, werd het ontdekt. Marguerre werd in 1915 gebouwd en later dat jaar
en begin 1916 aan de gevechtssituatie bij Verdun aangepast. Soldaten die terugkeerden van de harde gevechten aan het front vonden er de gezochte rust. Het kamp is genoemd naar Hauptmann Hans
Marguerre, onder wiens leiding het kamp gebouwd is. Na de oorlog werd het door de Amerikanen, die deze zone tijdelijk beheerden, ontmanteld. Ook namen bewoners uit de omgeving er bruikbaar
materiaal mee om hun vernielde huizen te herstellen.Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben Franse verzetstrijders het kamp en de omringende bossen als schuilplek gebruikt.
Bovenstaande foto's geven een indruk van Marguerre. De bouwwerken zijn deels experimenteel, omdat het immers de bedoeling was nieuwe soorten beton en bouwtechnieken uit te proberen. De foto's
op de eerste rij laten huisjes voor soldaten en bunkers zien. Op de tweede rij ziet men van links naar rechts eerst een gebouw dat mogelijk als keuken dienst deed en ook een grote zaal bevatte. De middel-
ste foto toont weer een experimentele bunker en rechts mogelijk een aantal officiersverblijven bij elkaar gegroepeerd. Om enige huiselijkheid voor de rustende manschappen te suggereren werden de onder-
komens versierd en van teksten voorzien. Resten hiervan zijn te zien op de twee foto's links onder, waarbij de middelste binnenin een onderkomen is genomen. De foto rechtsonder laat resten van de
betonfabriek zien: Vier betonnen pijlers waarop deze heeft gestaan. Tussen de steunpunten door heeft een spoorlijntje gelopen om grondstoffen en wat verder nodig was aan te voeren en beton af te voeren
dat elders in de streek gebruikt werd. De grondstoffen werden rondom opgeslagen. Ook was er een kleine elektriciteitscentrale en een verdeelcentrum voor de stroom. De spoorlijn, die verder het kamp
in liep, werd ook voor de verzorging van Marguerre gebruikt.

Het meest beruchte Duitse geschut in WO I was de "Dikke Bertha", een kanon met een loop met een diameter van 420 mm.
Het richtte o.a. bij de aanval op Luik en later bij de slag om Verdun veel schade aan. De reikwijdte was echter beperkt tot
15 km. Om verder te kunnen schieten werd de "Lange Max" ingezet - eigenlijk een scheepskanon - die tot 47 km kwam.
De Lange Max woog 220 ton en de lengte van de loop was 31,60 m, maar met zijn kaliber van 380 mm was de aangerich-
te schade geringer dan die van de Dikke Bertha en de uitwerking was vooral psychologisch. Een bom woog 750 kg. Bij-
gaande foto's geven een indruk van de stelling van de Lange Max van Duzey bij Spincourt in het bos van Warphémont, die
was gericht op de stad Verdun en omgeving. Het kanon was in het bos geplaatst om het beter te kunnen
camoufleren. Het loste op 1 oktober 1915 om 15u30 zijn eerste schot op Verdun en werd in januari 1917 weer ontmanteld.
Linksboven zien we niet een originele Lange Max maar een kleiner Frans kanon dat erop lijkt: een ongebruikt scheepskanon
uit 1916 met een loop van 17 m, een kaliber van 305 mm en een gewicht van 100 ton. Het is afkomstig van de marinebasis
Gȃvre in Bretagne en op 3 juli 2014 bij de parkeerplaats nabij de stelling neergezet. Lopen we vandaar naar de geschuts-
stelling dan zien we rechts de overdekte munitieopslagplaats (foto middenboven). De foto ernaast laat dezelfde munitietunnel
vanaf de andere kant zien. Op de foto linksmidden zien we de betonnen kuil waarin het kanon destijds op een voetstuk ge-
staan heeft en in de gewenste richting gedraaid kon worden (met de loop naar rechts). De kuil heeft een diepte van 4 m en
een diameter van 23 m. Ervóór bevindt zich nog een kuil, nu gevuld met water, bedoeld voor een tweede kanon. Deze stel-
ling is echter nooit voltooid en dit kanon is nooit geplaatst (foto tweede rij midden). Op de foto ernaast zien we een spoor
lijntje op het terrein zien en linksonder zakken versteend cement dat was bedoeld voor bouwwerkzaamheden op het terrein.

***************************** Les Éparges *****************************
Les Éparges is een dorp ten zuidoosten van Verdun. Ten oosten van het dorp ligt een heuvelrug die één van de meest bevochten gebieden uit de Eerste Wereldoorlog was. De Duitsers
hadden de heuvelrug bezet, toen de bewegingsoorlog overging in een loopgravenoorlog. Van hieruit hadden ze een uitstekend uitzicht over de omgeving en een uitmuntende positie om die
met hun kanonnen te beschieten. Vanwege deze strategische waarde wilden de Fransen de heuvelrug veroveren, wat slechts ten dele lukte. Vooral eind 1914 en in 1915 werd er hard ge-
vochten. Daarna ging de oorlog over in een mijnenoorlog. Beschrijvingen van de oorlog op de heuvel van Les Éparges vindt men o.a. bij Maurice Genevoix, Ernst Jünger en Louis Barthas.
Onderstaande beelden geven een indruk van het terrein vandaag de dag en van de monumenten die zich er nu (in 2014) bevinden.
Een kaart op een informatiebord bij de heuvelrug geeft een duidelijk over-
zicht over het terrein:
- Tussen 1 en 7 loopt de aanvoerweg vanaf het dorp (1) naar de heuvelrug.
- Vanaf de Franse militaire begraafplaats (7) lopen diverse voetpaden over
het terrein (in het rood aangegeven; de asfaltwegen zijn in het zwart).
- Toen de posities zich stabiliseerden wisten de Duitse troepen op de oostel-
ijke kant van de heuvelrug met het uitzichtspunt Punt X (6) stand te houden
tot ze er in september 1918 door Amerikaanse troepen verdreven werden.
- 2 Het aanvalspunt van de grote Franse aanval op 17 februari 2015.
- 3 Het monument voor het 106e infanterieregiment.
- 4 Mijnkraters.
Als je vanaf het dorp Les Éparges bij de heuvelrug aankomt, rijd je recht af op een Frans oorlogskerkhof, genaamd "Le Trottoir" (De Stoep).
Er liggen 2108 soldaten in individuele graven (waaronder tien moslimgra- ven) en 852 in een massagraf. De begraafplaats werd al in 1915 aangelegd. In 1922, 1924, 1933 en 1934 werd de begraafplaats gedeeltelijk opnieuw ingericht en werden er lichamen van gesneuvelde Franse soldaten uit de omgeving van Les Éparges en Mesnil-sous-les-Côtes naartoe gebracht. In 1958 werd de begraafplaats gerenoveerd.

Volg je het pad vanaf de begraafplaats naar het zuidoosten (zie kaartje),
dan kom je op de asfaltweg ongeveer bij het Monument du Genie (foto
links). Het monument gedenkt specifiek de bijdrage van de genie aan de mij-
nenoorlog in Les Éparges en in het algemeen die aan alle Franse oorlogen.
Het is in 1963 opgericht door de afdeling Metz van de vereniging voor vete-
ranen van de genie in Oost-Frankrijk en is van de hand van architect E. Fag-
noni. De zeven zuilen verwijzen naar de zeven korpsen van de genie, de dub-
bele muur naar de loopgraven en galerijen die door de genie gegraven zijn.
*****
Het Monument du Coq (Monument van de Haan; foto rechts) staat ongeveer
bij de 4 op het kaartje. Het stamt uit 1924 en is gewijd aan de gevallenen bij
Les Éparges van het 12e Infanterie regiment. Thans herdenkt het ook de deel-
name van andere Franse en Amerikaanse eenheden die hier gestreden hebben.
Het ontwerp is van beeldhouwer Lefebvre-Klein, oudstrijder bij Les Éparges.
Het is gebouwd door het 132e infanterieregiment, waartoe hij behoorde.

Het Monument du Coq staat op de rand van een van de grootste kraters
uit de mijnenoorlog in Les Éparges (foto links). Zo'n 300 mijnen werden
er tot ontploffing gebracht. Door speciale eenheden werden gangen tot
onder de stellingen van de vijand gegraven. Op het eind van een gang
werd een kamer gemaakt die vervolgens werd volgestopt met soms ton-
nen explosieven. De lading werd op afstand tot ontploffing gebracht. De
achtergebleven kraters vormen vandaag de dag samen met de resten van
de loopgraven (zie foto rechts) het meest zichtbare deel van de oorlog
die honderd jaar geleden op dit terrein heeft plaatsgevonden.

Her en der treft men nog onderkomens van de soldaten aan, de zoge- naamde abri's. Deze moesten hen ook bescherming bieden tegen be- schietingen. Hier zien we twee Duitse betonnen onderkomens. De foto links laat een commandopost zien, de Abri du Kronprinz. Er zijn diverse onderkomens met deze naam en het betekent niet dat de Duitse kroon- prins Ruprecht er ook werkelijk verbleven heeft. De abri op de foto rechts is een willekeurig Duits onderkomen in het terrein.
De oostkant van de heuvel van Les Éparges, Point X (zie de drie foto's hier direct boven) bleef de hele oorlog in Duitse handen, totdat ze er in september 1918 door de Amerikanen van verdreven werden. Point X had grote strategische waarde, want van hieruit had men uitzicht op de Vlakte van Woëvre en kon men deze met kanonnen bestrijken (foto midden). Toen de Franse generaal Joffre midden 1915 besloot de bloedige aanvallen te stoppen, hadden de Fransen er 12.000  man aan doden, gewonden en vermisten verloren. Uiteindelijk zouden beide zijden ongeveer 50.000 man verliezen. Nu staat er op Point X een monument geflankeerd door de Franse vlag (foto links). De ene kant van het monument laat een kruis boven een altaar zien (zie foto), de andere kant een bas-reliëf met een officier zonder hoofddeksel die zijn manschappen het gevecht in leidt. Het draagt de tekst "aan hen die geen graf hebben". De beeldhouwster is Mina Fischer, later gravin van Cugnac. Het monument is in 1925 gemaakt en gewijd aan René Tronquoy, neef en verloofde van de beeldhouwster en afgebeeld als de officier in het bas-reliëf. Tronquoy was luitenant in het 67e regiment infanterie en op 20 februari 1915 vermist. Zijn lichaam is echter in de jaren dertig daarna teruggevonden. Vlakbij dit monument op Point X staat op de rand van een mijntrechter een monument voor het 302e regiment infanterie (R.I.) (foto rechts). Het heeft het opschrift (vertaald): "302e R.I. 20 september 1914, 21 maart 1915. De veteranen van het 302e en 102e R.I." en is voor de soldaten die in de aangegeven periode sneuvelden.

Bij 3 op het kaartje hierboven staat het Monument voor het 106e Regiment
Infanterie, bijgenaamd "Geesten van het 106e infanterieregiment" (foto links).
Dit regiment was het eerste dat werd ingezet bij de poging de heuvel op de
Duitsers te veroveren. Hierin diende o.a. tweede luitenant Maurice Genevoix,
die de strijd in zijn bekende "Ceux de 14" (Zij van 14) beschreven heeft. Het
monument is in 1935 opgericht door Georges Ricome (bouwmeester) en
Maxime Real del Sarte (beeldhouwer) ter herdenking van de doden van het
regiment. Beide oprichters waren veteranen van het regiment en hadden in
Les Éparges gevochten. Het monument draagt aan de voorkant het opschrift
"Je crois" (Ik geloof) en aan de linkerkant een citaat van Maurice Genevoix
dat in vertaling luidt: "Jullie die je leven met twee handen hebben genomen en
het met geestdrift onder kogels tot aan de randen van de mijnkrater gedragen
hebben".
OP de weg van Les Éparges naar Dommartin niet ver buiten het dorp staat de demarcatiesteen van de foto links. Dergelijke stenen gaven de uiterste grens aan tot waar het Duitse front in Frankrijk had gereikt. Op de plaats waar deze steen staat boog het front af naar het zuidwesten en begon de Saillant de St. Mihiel.

*************************************************************

In Bouillonville, enkele kilometers van de grote Amerikaanse begraafplaats bij Thiaucourt-Regniéville (zie beneden), ligt een Duits oorlogskerkhof, een beetje verscholen in het bos. Rond
een monument meest tegen een helling zijn 1568 soldaten begraven. Nadat we het ingangshek gepasseerd zijn (foto links), komen we bij het grafveld met de bekende donkere Duitse kruizen
(foto midden). Op de achtergrond van deze foto is het monument te zien. Lopen we naar het eind van de begraafplaats dan zien we rechtsachter apart een klein aantal graven met grafstenen
in diverse afwijkende vormen en zo te zien ook oude grafstenen. De meeste graven op deze begraafplaats zijn van 1914 en 1915, die rechtsachter ook uit 1916.

Na de oorlog  bleef er op en achter de voormalige slagvelden veel afval achter.
Een deel werd opgeruimd, veel bleef ook liggen en is nog vaak terug te vinden.
Achtergebleven explosieven veroorzaken nog ieder jaar slachtoffers, inclusief
doden. Sommig materiaal vond echter een nieuwe bestemming zoals deze Duitse
spoorrails die nu in de buurt van Cesse gebruikt worden als paaltjes voor prik-
keldraad rondom een weiland.


Iets ten westen van Lesménils, ongeveer 30 km ten noorden van Nancy, ligt de heuvel van Xon. Om deze strategisch gelegen heuvel met een
wijds uitzicht over het dal van de Moezel is in februari 1915 hard gestreden. Na het uitbreken van de oorlog was de heuvel in Franse handen
gekomen. De frontlijn lag echter vlakbij. Op 13 februari werden de 141 verdedigers door een Duitse overval verrast en verdreven. Onmiddel-
lijk probeerden troepen van diverse Franse infanterieregimenten de heuvel te herveroveren, waarin ze na vijf dagen definitief slaagden. De ge-
  vechten waren echter zeer bloedig en volgens het informatiebord ter plekke sneuvelden alleen al aan Franse kant meer dan 2.000 soldaten (over
  het aantal Duitse gesneuvelden wordt niet gesproken). Hierna bleef dit deel van het front tot het einde van de oorlog weer rustig.
Op de foto's hierboven zien we loopgraven en het uitzicht over het Moezeldal. Op de foto links zien we het monument dat de slag herdenkt.
Op 15 oktober 1922 werd er al een monument opgericht, dat echter in september 1944 door de Duitsers werd vernield. In zijn huidige vorm
werd het monument echter opnieuw opgericht en op  22 september 1963 onthuld.  Het gedenkt de gevallen manschappen en vanwege zijn
heldhaftige strijd in het bijzonder kapitein Jacques Cochin van de 21e compagnie van het 325e Regiment Infanterie. Dit was ook het regiment
dat bij de Duitse aanval verantwoordelijk was voor de verdediging van de heuvel. Bij de honderdjarige herdenking van de gevechten op 14
februari 2015 is er op het moment een speciale plaquette aangebracht.

3) Het eindoffensief en de Amerikanen

*****************

Argonne was het deel van het Westfront waar tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog Amerikaanse troepen werden ingezet. Het is dan ook geen wonder dat zich juist hier een groot Amerikaans oorlogskerkhof
bevindt en wel bij Romagne-sous-Montfaucon. Anders dan de andere geallieerden en de Duitsers, die hun doden op vele, vaak kleine, kerkhoven begroeven, brachten de Amerikanen hun gesneuvelden op slechts
enkele begraafplaatsen bijeen. Mede hierdoor is het Meuse-Argonne American Cemetery met 14.246 graven het grootste Amerikaanse militaire kerkhof in Europa. Met de aanleg werd in oktober 1918 begonnen.
Er bevinden zich een kapel, bezoekersruimten en gedenkteken. Bovenstaande foto's geven een impressie.

Even buiten Vigneulles-lès-Hattonchâtel bij de rotonde waar de Rue
Raymond Poincaré op de D901 uitkomt staat het bovenstaande monu-
ment voor de 1e Amerikaanse infanteriedivisie. Een plaquette bevat de
volgende tekst:
"De Slag van St. Mihiel: Tijdens de aanval vanuit Seicheprey-Marvoisin
op 12 september, trok de 1ste divisie van de AEF (American Expedi-
tionary Force) in de morgen van 13 september 1918 deze stad binnen
en voegde zich bij de 26e divisie en sneed zo de saillant af. Verliezen:
98 doden en 489 gewonden en vermisten".


Bij Thiaucourt, ten oosten van Saint Mihiel, bevindt zich een andere grote Amerikaanse begraafplaats: Het St. Mihiel American Cemetery. Bijgaande foto's geven er een beeld van. Er liggen de graven van 4153 Amerikaanse militairen die meest bij het offensief in de St. Mihiel Saillant gesneuveld zijn. Er bevinden zich o.a. een monument (foto links), zonnewijzer (foto rechts) en een klein museum. Op de muren van het museum zijn de namen van 284 vermiste soldaten vermeld. De soldatenkop aan het begin van deze sectie 3) is een knop op een deur van het memorial.


De route waarlangs het Amerikaanse leger
tijdens het eindoffensief optrok, wordt van-
daag de dag aangegeven door kleine stenen
obelisken die bepaalde wapenfeiten memo-
reren. De obelisk op de foto links herdenkt
bijvoorbeeld de bevrijding van Cléry-le-
Petit (Meuse) en het oversteken van de
Maas in november 1918. De obelisk rechts
staat aan de weg van Louppy-sur-Loison
naar Brandeville (Meuse) en verwijst naar
de verovering van de streek door de10e
infanteriebrigade van het Amerikaanse le-
ger op 11 november 1918.

Op de heuvel waar nu de American Memorial Tower staat (foto links) lag eens het dorp Montfaucon. Bij de verovering van het dorp in 1914 door de Duitsers werd
het geheel verwoest. Dezen bouwden er versterkingen en een observatiepost. Resten van de kerk liggen nog steeds achter de toren (foto rechts). Montfauconwerd na
de oorlog aan de voet van de heuvel weer opgebouwd. De toren die nu op de plaats van het voormalige dorp staat, herdenkt de Amerikaanse overwinning in het
Maas-Argonne offensief dat op 26 september 1918 begon en eindigde met de wapenstilstand van 11 november. De toren is gebouwd in de vorm van een 58 meter
hoge Dorische zuil. Een replica van het vrijheidsbeeld staat op de top. Van hier heeft men een wijds uitzicht over het slagveld.

Het Missouri Memorial te Cheppy, nabij Varennes, werd in 1922 door de Amerikaanse staat Missouri opgericht. Het herdenkt de in de Eerste Wereldoorlog
gesneuvelde soldaten uit deze staat.

Het Pennsylvania State Memorial in Varennes is een typisch groots Amerikaans oorlogsmonument en herdenkt de soldaten die bij de bevrijding van Varennes door
Amerikaanse troepen zijn gesneuveld. Deze kwamen  voornamelijk uit de staat Pennsylvania. Het monument is in 1927 in opdracht van de Pennsylvania Battle Mo-
numents Commission gebouwd, bovenop de aanwezige Duitse bunkers, naar een ontwerp van de architect Paul Philippe Cret. Op één van de zuilen staat de
bedenkelijke spreuk "Right is more precious tFoto links:han peace" (Recht is kostbaarder dan vrede). Hiermee kan wel iedere oorlog gerechtvaardigd worden.

Foto links:
Tussen 2 en 7 oktober 1918 raakte een deel van de
Amerikaanse 77e divisie de weg kwijt in de bossen
nabij Apremont. Toen deze weer boven water kwam,
waren er van de 600 man nog maar 194 over. Een
monumentje met een pijl die dalwaarts wijst in de
richting waar deze gebeurtenis plaatsvond herdenkt
dit voorval.

Foto rechts:
Monument te Wadelincourt voor de Amerikaanse
1e divisie die hier op 6 november 1918 slag leverde.
Het monument bevindt zich pal aan de D6  iets ten
zuiden van Wadelincourt dat  zelf  ten zuiden van
Sedan ligt.


Op de 377 meter hoge heuvel Butte de Montsec (zie boven), 15 km ten oosten van Saint-Mihiel, bevindt zich een groot Amerikaans monument,
daar geplaatst ter herdenking van het Amerikaanse offensief op het eind van de oorlog in de saillant van Saint-Mihiel. Deze offensieven vonden
plaats van 12 tot 16 september en van 9 tot 11 november 1917. Verder herdenkt het andere activiteiten van het Amerikaanse leger in de regio
en in de Elzas en in Lotharingen. Het monument is een ontwerp van de Amerikaanse architect Egerton Swartwout en gebouwd in de jaren
1930-1932 in opdracht van de American Battle Monuments Commission. Het is gemaakt van Euville, een witte kalksteen, die in Euville in het
departement Meuse gewonnen wordt. In het monument bevindt zich een orientatietafel waarop in brons een kaart is aangebracht die het slag-
veld voorstelt. Aan de buitenkant zijn in het fries de namen aangebracht van de plaatsen in de omgeving die door de Amerikanen bevrijd zijn.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden de Duitsers er een waarnemingspost ingericht. Bij een Amerikaanse luchtaanval werd het monument
gebombardeerd en licht beschadigd. Later is het mnument weer hersteld. Sinds 1975 is het een erkend historisch monument.

Plakette op de brug over de Maas bij Nouvion-sur-Meuse. De tekst luidt:
"Ter ere van en ter herinnering aan de heldhaftige strijders van het 14e
infanterieregiment en de 12e compagnie van de 4e genie gevallen op het
veld van eer tussen de Maas en Nouvion-sur-Meuse op 9, 10 en 11
november  1918. In dankbaarheid. U.N.C. en oud-strijders.
Nouvion s/ Meuse"
( U.N.C. : Union Nationale des Combattants, Nationale Unie van Strijders)

–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–.–


Links naar mijn andere foto's van de Eerste Wereldoorlog:

Het Westfront

Het Oostfront

Het Italiaanse Front

Buiten de fronten

 

terug naar de inleiding  

terug naar de homepage